Water

Een dierbaar familielid overleed kort voor de kerstdagen. Ik weet het nog van mijn moeder die midden in een snikhete zomervakantie overleed: dierbare familieleden sterven het liefst op de onmogelijkste tijdstippen. Alsof ze je willen inscherpen: je hield toch zo van me nou, dan moet je er ook wat voor overhebben.

Toen de feestdagen eenmaal hadden besloten om niet meer ouderwets feestelijk te worden, zagen ze ook geen been meer in een wrange afloop. Dan heb je in één keer alles maar gehad, luidde de impliciete boodschap, volgend jaar wordt het misschien wel weer beter.

Kort na de jaarwisseling hoorden we beneden in ons flatgebouw iets klotsen. De vraag `wat klotst daar?' is per definitie overbodig. Water maakt nooit een geheim van zijn aanwezigheid, opeens is het er gewoon: bleek, kalmpjes en onverstoorbaar. Trek je van mij niks aan, lispelt het, ik red me wel.

Zou je dat nou wel doen, wil je tegen het water zeggen, maar meteen besef je het egoïsme van je woorden. Het water is moe en koud, het heeft een barre tocht achter de rug, en het zoekt een dak boven zijn hoofd. Het blijft geen eeuwigheid, het wil alleen een beetje uitrusten. Dat moet toch kunnen? En zeker met de feestdagen?

Maar je vertrouwt het water niet. Je ziet het toch als een ongenode gast die zijn voeten behaaglijk en steeds verder – onder je tafel uitstrekt en die zich voorlopig niet laat wegjagen. Zolang hij zijn natje en zijn droogje krijgt, is er wat hem betreft niets aan de hand.

Zo stonden wij, de eerste gealarmeerde flatbewoners, een tijdje contemplatief naar het water te kijken. Besluiteloos en geïmponeerd. Toen keken we elkaar vragend aan en besloten aarzelend tot tegenactie over te gaan. Maar hoe?

Het water heeft altijd één groot mysterie: zijn afkomst. Hoe kon het dit gebouw binnendringen? Waar had het de zwakke plek van ons bastion gevonden? Kwam het via de grond of was er ergens in een van de flats een lek?

Wat in zo'n situatie opvalt, is dat de mannen het langst theoretiseren. Zij monsteren het natuurverschijnsel uitgebreid en zeggen enkele malen met grote nadruk: ,,On-ge-lo-fe-lijk.'' Na de eerste schok komen de cynische grapjes die een zekere onthechtheid moeten aangeven. Ach, water, wat zou het, dat komt wel weer goed.

De vrouwen hebben dan allang met emmertjes-en-blik het hozen ter hand genomen. De mannen mompelen wat aanwijzingen en gaan elders in het gebouw poolshoogte nemen. Een poosje gebeurt er weinig. Dan treden op zeker moment één, twee natuurlijke leiders naar voren. Als je geluk hebt, zijn het geen praatjesmakers, maar mannen met zowel daadkracht als technisch inzicht.

Dat geluk hadden we.

Nee, ik heb het nu niet over mezelf, zoals u al vermoedde, vrees ik. Wél heb ik 's avonds in het café meegeholpen om de moed erin te houden. Ja, je moet érgens goed in zijn. Toen we na middernacht terugkeerden, zagen we het water weer oprukken, maar we konden er alleen nog maar om lachen, want de drank had ons zelfbewust en standvastig gemaakt en we wisten heel zeker: eens zullen we overwinnen.

    • Frits Abrahams