Van bedelarij tot erfgoed

Het Driekoningenfeest veranderde in de loop der eeuwen drastisch van karakter. Schoolhoofden en kranten speelden daarbij een rol.

In het zuidoosten van ons land zijn vandaag, na hun eerste schooldag in het nieuwe jaar, weer veel kinderen op de been om, gehuld in oude gordijnen of met een tafelkleed om de schouder, een kroontje op het hoofd en met een lampion in de hand, langs de deuren te gaan. Het is de kunst om in een minimum aan tijd op zoveel mogelijk plaatsen aan te bellen en in een rap tempo een liedje te zingen. De omvang van de beloning, doorgaans wat snoep of geld, is meer afhankelijk van de zorg die de kinderen aan de uitdossing hebben besteed dan van de kwaliteit van de uitvoering. In enkele wat grotere plaatsen, zoals Den Bosch en Weert, vond gisteren al een grote Driekoningenoptocht plaats.

Dat het Driekoningenfeest in het verleden ook in Noord-Nederland populair was blijkt onder meer uit de vijftien schilderijen die Jan Steen (1616-1679) aan dit thema wijdde. Zijn vroegst gedateerde voorstelling van het feest, uit 1662, stamt uit zijn Haarlemse periode en is hier afgebeeld. Steen toont het inversiekarakter van het Driekoningenfeest: de rollen worden voor een dag omgedraaid door de jongste aanwezige het hoogste ambt te laten spelen. Terwijl de volwassenen uitbundig eten en drinken zijn links op de voorgrond kinderen bezig met kaarsjesspringen. Een spel waarbij de kaarsen niet mogen omvallen of uitgaan. In deze versie van het Driekoningenfeest heeft Jan Steen ook een relatie gelegd met de viering buitenshuis: door de deuropening zijn op de achtergrond de gekroonde sterrezangers te zien. Daar hoorden destijds ook volwassenen bij.

Deze uitspattingen waren calvinistische predikanten een doorn in het oog. In tegenstelling tot lutheranen en anglicanen, erkenden zij Driekoningen niet als een kerkelijke feestdag. De viering ervan moest met wortel en tak worden uitgeroeid. In plakkaten werd bekend gemaakt dat het ,,niet alleen jongens en kinderen, maar ook volwassen persoonen'' verboden was om langs de huizen te gaan om te zingen en te bedelen ,,met verligte machines, representerende starren''. Elke deelnemer kreeg een boete van drie gulden opgelegd. In Den Bosch werd in de zeventiende eeuw zelfs aangekondigd dat sterrezangers van buiten de stad acht dagen in de gevangenis op water en brood konden worden gezet.

De verboden hadden soms een averechtse uitwerking. Aangezien de Bossche stadsdienaren destijds op Driekoningen van gemeentewege een nieuwe hoed kregen, werd langs de straten hatelijk gezongen: Driekoningen! Driekoningen! / Geef mij een nieuwe hoed, hoed, hoed. / Mijn oude is versleten, / ons vader mag 't niet weten, / en ons moeder is niet thuis. / Piep zei de muis al in 't zomerhuis. De laatste strofe is niet zo onschuldig als het lijkt. Hier werd regelrecht gedoeld op schepen Piper, die de hand had in de antikatholieke bepalingen.

Dit lied vormde ook gisteren de grote apotheose van de viering van het Driekoningenfeest in 's-Hertogenbosch. Aan het begin van de avond werden de drie koningen – uiteraard gezeten op kamelen – door een grote kinderschare feestelijk ingehaald. Voorafgegaan door een (als herders verkleed) carnavalsorkest, ging het in optocht naar de Sint-Janskathedraal. Onderweg voegden zich nog enkele hoogwaardigheidsbekleders bij de stoet.

Wie denkt dat we hier te maken hebben met een eeuwenoude traditie, heeft het mis. De Kunstkring in Den Bosch organiseerde pas in het midden van de jaren twintig van de vorige eeuw de eerste optocht. Aansluitend werden voor een jury driekoningenliedjes gezongen. Een gebruik dat `ontaard' was in bedelarij moest zo op een hoger plan komen. Gemakshalve werd vergeten dat dergelijke ommegangen tevens een informele vorm van armenzorg waren.

In Tilburg – nergens wordt het feest zo massaal gevierd als hier – ging men nog een stap verder. Hier greep `Tilburg Vooruit', de voorloper van de huidige VVV, het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard op 7 januari 1937 aan om een begin te maken met het georganiseerd vieren van Driekoningen. Het animo was groot, maar over het resultaat was de organisatie niet helemaal tevreden. De daaropvolgende jaren spande men zich in om de kinderen ,,op te voeden tot Driekoningen die origineel gekleed waren, de juiste liedjes zongen en folkloristische elementen in hun optredens verwerkten''.

Een hoofdrol in dit folkloriseringsproces was weggelegd voor de plaatselijke kranten en de schoolhoofden. Het feest werd kortom aangegrepen voor een kleurrijk schouwspel waarop de stad trots kon zijn. De viering van het feest van Caspar, Melchior en Balthasar die, maar dat terzijde, helemaal geen koningen waren, laat zien hoe dynamisch traditionele volksfeesten zijn.

    • Cor van der Heijden
    • Gerard Rooijakkers