Droeftoeteren

Oliebol De rijke geschiedenis van de oliebol is nog niet geschreven, verzuchtte Karel Knip kort voor de jaarwisseling in de Wetenschapsbijlage van deze krant. Hij voegde zelf de hypothese toe dat de oliebol de oliekoek aan het eind van de 19de eeuw heeft verdrongen, omdat men in die tijd, aangezet door idealistische kookleraressen en oliefabrikanten, steeds meer ging frituren.

Er is in de oliebollengeschiedenis nog een kwestie die aandacht verdient, en dat is de functie van oliebol als scheldwoord. In 1869 had het Woordenboek der Nederlandsche Taal het over ,,vrouwen, die op de markt zitten, met oliebollen te koop''. Vooralsnog is dat de vroegste vindplaats van het woord oliebol in de betekenis `bolvormige, in olie gefrituurde koek'. Maar al zestien jaar eerder had Johannes Kneppelhout, die onder het pseudoniem Klikspaan satirische stukjes schreef over het Leidse studentenleven, oliebol gebruikt als scheldwoord. In een stuk uit 1850 heeft Kneppelhout het eerst over jongens die roepen ,,Pietje Schol, Pietje Schol, dronken soes, oliebol!'', en die later ,,gieren'': ,,Ga maar met je meid op hol, dronken soes, oliebol!''

Tot twee keer toe wordt oliebol dus in een soort straatrijmpje in verband gebracht met dronkenschap, ik vermoed vanwege de associatie met in de olie zijn voor `bezopen zijn'. Volgens een woordenboek uit 1899 was oliebol zelfs een typisch studentenwoord, en werd het gebruikt voor `dronken student'. De Grote Van Dale geeft nog als betekenissen `dronkemansgezicht' en `rekruut' – een woord uit de soldatentaal. Ik bedoel maar: de oliebol is een bol met vele kanten en het zou de moeite waard zijn als iemand dit eens tot op de bodem uitzocht.

Droeftoeteren Tot voor kort dacht ik dat het woord droeftoeteren was verzonnen door Eduard Bomhoff, tijdens zijn 87 dagen als minister van Volksgezondheid. Toen Bomhoff het afgelopen najaar door deze krant werd geïnterviewd, zei hij onder meer dat hij niet van ,,gedroeftoeter'' houdt en dat hij niets heeft ,,met de grijstonen en de droeftoeterige manier'' waarop de paarse kabinetten over ouderen spraken. Weer een politicus die met een taalvondst probeert te scoren, dacht ik, maar nu blijkt dat ik Bomhoff daarmee tekort heb gedaan, want er zijn meer mensen die dit beeldende woord gebruiken. Zo vond ik in een discussiegroep op internet een bericht waarin iemand schrijft: ,,Ik ben benieuwd of er een verzameling is aangelegd van de min of meer merkwaardige kreten die op managerscursussen worden uitgestoten. Zoals de dooddoener die bij ons in het bedrijf nogal eens te horen was als iemand zijn nood klaagde dat er ergens iets niet goed ging: `Hou toch eens op met droeftoeteren.'''

In kranten is het woord de afgelopen twaalf jaar bijna niet gebruikt. Ik vond het één keer in het Rotterdams Dagblad (,,Laat ons niet `droeftoeteren' over de Rotterdamse en IJsselmondse jeugd''), en daarnaast vind je droeftoeter als zelfstandig naamwoord voor `saxofoon' (,,Al even spaarzaam en fraai klonk de droeftoeter van saxofonist Ernie Watts'') en als scheldwoord (,,rare droeftoeter''). In de `gewone' woordenboeken zijn deze droeftoeterwoorden nog niet gesignaleerd, maar het zou mij niet verbazen als het een dialectwoord was. De vraag is: uit welk dialect? Bomhoff komt van oorsprong uit Amsterdam, maar in de Amsterdamse woordverzamelingen heb ik het niet kunnen vinden.

Post En dan nog iets over deze rubriek. Het afgelopen jaar ontving ik een paar honderd brieven en een paar duizend e-mailtjes. Ik werd weleens wanhopig van die hoeveelheid, maar ik vraag er zelf om en ik ben heel blij met alle nuttige aanvullingen en correcties die ik mag ontvangen. Helaas is het me niet gelukt om iedereen persoonlijk terug te schrijven om dat te laten weten, dus dat doe ik hierbij. Zeer veel dank, zonder uw medewerking zouden veel van de hier gesignaleerde taalpuzzels onopgelost blijven.

Reacties naar de Achterpagina of naar sanders@nrc.nl. Zie ook WoordHoek op vrijdag op www.nrc.nl

    • Ewoud Sanders