Bloedbaden teisteren Algerije weer

Gewapende moslim-extremisten hebben zaterdagavond twee bloedbaden aangericht in Algerije waarbij in totaal ten minste 56 mensen om het leven zijn gekomen.

De moordpartijen vormen een zware slag voor de regering van president Abdelaziz Bouteflika, die een politiek van nationale verzoening voert. In Algerije begon in 1992 een bloedige oorlog tussen moslim-extremistische groepen en de regering. Daarbij zijn volgens ruwe schattingen zeker 120.000 mensen omgekomen, onder wie vooral burgers. Het moslim-extremistisch geweld is de laatste jaren na een zeer zwaar tegenoffensief van de regering aanzienlijk verminderd.

Het belangrijkste doelwit van zaterdagavond was een konvooi met veiligheidstroepen, dat nabij de stad Batna in het zuidoosten met benzinebommen werd bestookt. Daarbij vielen 43 doden. Bij de stad Blida, ten zuiden van de hoofdstad Algiers, werden ongeveer tegelijkertijd dertien burgers, leden van twee families, gedood door extremisten, zo meldt de Algerijnse pers. De aanvallen werden – zoals vaker het geval is – niet meteen van officiële zijde bevestigd.

De aanval op de veiligheidstroepen was het werk van de Salafistische Groep voor Prediking en Strijd (GSPC) van Hassan Hattab, die banden onderhoudt met Al-Qaeda van Osama bin Laden. Volgens de Algerijnse pers namen ook Al-Qaeda-elementen aan de aanval deel. De moordpartij bij Blida werd aangericht door de Gewapende Islamitische Groep (GIA) van Rachid Abou Tourab. Deze twee groepen zijn fel gekant tegen de verzoeningspolitiek van president Bouteflika, in het kader waarvan zo'n 6.000 extremisten zich in ruil voor clementie aan de overheid hebben overgegeven. De GSPC beperkt zich tot aanvallen op militaire doelen – leger, gendarme, politie en dorpswachten. De zeer gewelddadige GIA, aanzienlijk kleiner en minder goed gestructureerd dan de GSPC, valt ook burgers aan.

Tijdens een internationaal colloquium over het islamitisch terrorisme in Algiers in oktober zei de Algerijnse generaal Maïza dat er in het land nog 600 tot 650 extremisten actief waren, van de 27.000 aan het begin van de oorlog in 1992. Volgens generaal Maïza, stafchef van de eerste militaire regio, telde de GSPC naar schatting 350 tot 380 strijders en de GIA niet meer dan 60. Daarnaast opereerden er volgens hem nog verscheidene `autonome' groepen, die alleen hun directe commandant gehoorzamen, zij het meestal binnen het kader van de bloedige en extremistische koers van de GIA.