Zelfrelativering

Enige jaren geleden overleed plotseling een vijfjarige meisje. Haar vriendje, ook vijf jaar, vroeg na afloop van de afscheidsdienst en de begrafenis aan zijn vader: ,,waar is ze nu?'' Zo vatte hij de moeilijkste kwestie die er bestaat samen. Wat is de beste reactie? Een gelovige vader zou zeggen: ,,ze is in de hemel''. Terwijl een agnost zou opmerken dat ,,sommige mensen geloven dat ze in de hemel is en anderen niet.'' Een rationalist als Joris Bartstra (Opiniepagina, 27 december) zou antwoorden: ,,Ze vergaat. De wormen zullen haar opeten.''

In kwesties als deze is geen enkel antwoord het juiste. De gelovige, de agnost en de rationalist hebben geen van drieën het overtuigende bewijs in handen om een ander hun mening op te leggen. Je kunt hooguit concluderen dat ieder kind de kans moet krijgen zijn eigen waarheid te ontdekken. Daarom is het standpunt van Bartstra ook zo intolerant. Hij meent dat vrijheid van godsdienst in het onderwijs het rationele vermogen van kinderen beschadigt en wil hij iedere vorm van religie van overheidswege ontmoedigen.

Natuurlijk wordt in naam van de religie een hoop onzin verkondigd en hoeft de staat dat allerminst te steunen. Maar tegelijk past rationalisten enige zelfrelativering. Hoeveel schade hebben `rationele', principieel anti-religieuze overtuigingen als het communisme niet aangericht? Het ontmoedigen van religie onthoudt veel mensen troost en leidt tot het ontkennen en vernietigen van een belangrijk deel van onze cultuur.

Bartstra's rigoureuze plannen lijken ingegeven door problemen met de integratie van moslims in Nederland. De sleutel lijkt inderdaad bij de godsdienst te liggen, maar de oplossing zit níet in een ontmoediging ervan. Moslims en autochtone Nederlanders gaan anders om met hun religieuze gevoelens. Vóór de ontzuiling was geloven in Nederland een sociale handeling. Iemand hoorde bij een katholieke of een protestantse kerk en dat gold voor iedereen in zijn omgeving. Het bood veel structuur en een gemeenschappelijk referentiekader. Na de jaren zestig is geloven een individuele aangelegenheid geworden.

De Turkse en Marokkaanse moslims lijken nog steeds een sociale vorm van geloven te verkiezen. Geloven doe je met elkaar en het geloof is geen onderwerp om te relativeren. Dat verschil in benadering heeft mede hun integratie belemmerd. Maar de oplossing is niet moslims tot een andere houding ten aanzien van hun geloof te dwingen. De overheid hoort zich immers niet te bemoeien met de manier waarop iemand troost zoekt. De staat kan beter zorgen dat geloof en rationaliteit ook voor moslims naast elkaar kunnen bestaan. Dat betekent vooral: respect afdwingen voor onze westerse wetenschappelijke traditie. En niet hen van ons vervreemden door hun geloof belachelijk te maken.

Mirjam Janssen is historicus.