Voetbal als antwoord op jeugdcriminaliteit

Traditie is vandaag weer troef want er wordt in Engeland om de FA Cup, `s werelds oudste voetbalcompetitie, gespeeld. Manchester City-Liverpool is een van de duels. Op Maine Road, het stadion van City, werd vijftien jaar geleden het initiatief genomen de sociale functie van het voetbal in ere te herstellen.

Football in the Community heet het programma waarvoor ruim vijftien jaar geleden de basis werd gelegd in de catacomben van het stadion van Manchester City. De sociale functie van het voetbal, zo luidde het adagium, moest worden hersteld. Er moest kortom weer worden gevoetbald voor de gemeenschap. Het bleek een sterk concept.

Aan Oxford Street in Manchester zetelt de Professional Footballers' Association (PFA), de oudste (1907) voetballersvakbond ter wereld. Roger Reade zetelt in een statig kantoor. De chief administrator van The Community Programme in Professional Football vertelt hoe voetbalclubs – die in Groot-Brittannië diepe religieuze, culturele of sociale wortels in hun gemeenschap hebben – tegenwoordig volgens het principe van het zogenoemde corporate citizenship op zoek zijn naar een evenwicht tussen business en gemeenschapsvorming. Profspelers zijn krachtige rolmodellen voor jonge mensen en kunnen een positieve invloed hebben op hun levenskeuze. Voetbal kan een antwoord zijn op jeugdcriminaliteit, racisme, druggebruik en anti-sociaal gedrag.

Sinds 1986 diepen de PFA en de Football League dit concept uit als antwoord op het geweld in de stadions. Er werd besloten dat clubs tot gecoördineerde positieve actie en overleg dienden over te gaan met hun lokale gemeenchappen. Roger Reade somt de zes doelstellingen van het programma op. Dat zijn: het betrekken van zoveel mogelijk mensen bij het clubleven, bestrijding van sociale uitsluiting, racisme en druggebruik, initiatieven voor tewerkstellingsprojecten, het aanbieden van activiteiten aan etnische minderheden en aan meisjes, preventief hooliganisme bestrijden door jongeren te begeleiden en de spelers een rolmodel te geven. Deze laatste moeten twee tot drie uur per week communitywerk doen.

Een belangrijke doelgroep vormen de meisjes en vrouwen. Op hen is het project Girl Power! gericht. Reade: ,,Op puberjongens die stoer willen doen en de hooliganscène opzoeken, hebben meisjes een kalmerende werking. We creëerden een nieuwe generatie supporters. Vijftien procent van de voetbalfans bestaat vandaag uit vrouwen tussen de 18 en 25 jaar. Het stadion en de club dienen dus kinderen binnen te halen om aan sport te doen, ze goed gedrag aan te leren en op te voeden. Voetbal als wapen tegen sociale uitsluiting: voor de zwarten en de Aziaten, voor de gehandicapten, voor de meisjes en de vrouwen! Voetbal als moment van emancipatie! We Can Help You.''

Op dit moment betaalt het FITC-programma ruim 2.500 werknemers. In Engeland zijn 92 professionele voetbalverenigingen. Elk club heeft zijn eigen team van communitymedewerkers. Van Arsenal, lijstaanvoerder in de Premier League, tot Swansea City, laatste in Division Three.

Het werk gebeurt overal globaal langs dezelfde lijnen. Er zijn football coaches, meestal oud-spelers, die na een trainerscursus de jongeren sportief bezighouden. Daarnaast zijn er de education teachers: dit zijn onderwijzers die vanuit de club lesschema's opzetten voor de scholen. Pedagogische uitgangspunten zijn: motivatie-opbouw, aanleren van nieuwe kennis en verandering van gedragspatronen. ,,We zoeken kinderen op die uit de boot dreigen te vallen en halen het beste uit hen'', zegt Reade. ,,Gelijke kansen door voetbal.'' Ook kent een club de social development manager: een welzijnswerker die programma's ontwikkelt voor volwassenen ter bestrijding van sociale uitsluiting, die langdurig werklozen begeleidt en steunprojecten stimuleert ten behoeve van het welzijnswerk in de stad.

,,Het FITC-programma nam na een aarzelende start in Manchester en omgeving vanaf midden jaren negentig een hoge vlucht. Er wordt sindsdien erkend dat het voetbal een leidende rol kan spelen bij de verandering van de maatschappij'', meent Reade.

Volgens hem is het programma ook effectief gebruikt bij een ander vervelend fenomeen dat in de jaren negentig de kop opstak. Reade: ,,Veel puberjongens worstelen met zelfmoordgedachten. Rond hun zestiende willen ze van school af. We halen ze naar onze clubs en schakelen ze in bij het programma Learning Through Football: een halftijdse opleiding naast klusjes opknappen in het stadion. Ze keren nooit meer terug naar school, maar wel naar het voetbal. Via de club halen we ze uit de marginaliteit. Het stadion is hun tweede thuis. Ze identificeren zich op een positieve wijze met hun club en krikken daarmee hun negatieve zelfbeeld op. Het potentieel van het voetbal dient maximaal te worden benut op het terrein van opvoeding en onderwijs en in de strijd tegen sociale uitsluiting en jeugdcriminaliteit.''

De Football Trust legde in de vroege jaren negentig vier miljoen Engelse pond op tafel. Dit bood de clubs de kans om in een periode van twee jaar een eigen programma op poten te zetten. Daarna moesten de clubs zelf in de financiering ervan voorzien. De topclubs hebben intussen minstens vijf mensen in dienst. Het bereik van het FITC is relatief hoog. Ruim één miljoen mensen, waaronder 700.000 kinderen, nemen jaarlijks aan één of ander evenement deel.

Reade: ,,De meeste clubs van de Premier League en de Division One (de hoogste twee afdelingen in het betaalde voetbal, red.) betalen mee. In de lagere afdelingen bedenkt men een financieringssleutel in samenwerking met lokale overheden, kerken, scholen en bedrijfsleven. Het is ons doel om te garanderen dat het management van het plaatselijke FITC-comité representatief is voor de lokale organisaties, tot en met de politiediensten.''

De sociale investeringen leverden de meeste clubs ook financieel winst op. Uit een studie van het Sir Norman Centre for Football Research bleek dat het FITC-programma veel meer fans naar het stadion lokt. Nationaal bezien steeg de belangstelling voor het voetbal met zeven procent per jaar. Dit levert jaarlijks zo'n tien miljoen pond extra inkomsten op, opgebracht door ongeveer 500.000 toeschouwers. Volgens Reade zou het ook daarom ,,mooi zijn als onze filosofie zich ook elders in West-Europa verspreidt''.

    • Raf Willems