Veenhuizerveld - Terschuur

Joyce Roodnat loopt door Nederland en de rest van de wereld. Deze week in de Gelderse Vallei.

De hemel is bespannen met muizenvel. Tot diep in de morgen hangt er een schemer alsof deze dag zal worden overgeslagen en de avond maar vast valt; pas tegen het middaguur wint overtuigend daglicht terrein. Het bos achter Veenhuizerveld is kleddernat. Het zand sopt onder mijn schoenen, de bomen, hun stammen donker van het nat, druipen lange druppels uit hun kruinen. Nat ruikt lekker, in het bos. Zoet, zorgzaam.

Geraas kondigt de verkeersweg aan die de routebeschrijving al voorspelde. Is die eenmaal overgestoken dan verwordt dat tot kalm gebrom. Het laat zich al snel overstemmen door het lawaai van de vogels, vooral de vinken maken herrie. Het bos achter Veenhuizerveld omkranst nu telkens stukken weiland, meestal met twee of drie paarden erin. Ze staan stil, heel stil. Hun adem wolkt uit hun neus, vaak houden ze één achterbeen gebogen met de hoef op de spitz gezet.

Het pad, bedekt met heuveltjes mos dat groeit in lichtgroene sterretjes op een donkergroene bodem, voert langs een club allemaal in dezelfde schuine hoek overhellende naaldbomen en bereikt een roestig veld. In het rosbruin van heide en gras verwijlt her en der een allenige spar met wijduitstaande gerafelde takken. De kerstballen kunnen nu echt terug in de dozen en snel weer naar zolder – zoiets.

We belanden op een lange asfaltweg. Nu stil, 's avonds zo te zien druk, want aan beiden zijden zijn de greppels volgesmeten met bierblikjes. Heineken drinken ze hier. Er ligt ook een afgerukte autospiegel in de greppel. Lekker puh. Lichamelijk letsel wens ik niemand toe, maar ik hoop dat de blikwerpers een ongekend grote blikschade hadden toen ze hier van de weg raakten.

We mogen het bos weer in, opnieuw een knoestig zandpad langs waar gelukkig lang geen einde aan komt. Bij een open plek vergaap ik me aan de takkenbossen van een purper gloeiende rij eiken, afstekend tegen het gretige grijs van de lucht, als man vaststelt dat we verkeerd gelopen zijn. Hij kijkt me verwijtend aan.

,,Jíj zou het bijhouden.'' ,,Ja. Moet jíj je leesbril maar niet vergeten. Wees blij dat ik zo'n ding niet nodig heb.'' Dat vindt man vals.

Hij ziet een uil die ik niet zie en op zijn aanwijzingen vinden we de route terug. We maken het weer goed.

De zon prikt gaatjes in de wolken boven de knusse Appelse Heide (geen appel te zien). Smalle rechte lanen tussen hoge berken en wilgen nemen ons mee tussen allerhande boerderijen door. Niet verbouwd tot rustieke rijkeluiswoningen, maar echte bedrijven zijn het: kippen op het erf, stallen met gebries erin en gevulde hooizolders erboven. Een jongen zet zijn skelter in het sop en alles is doortrokken van de scherpe geur van mest, die lekker de neus schoon brandt. De kilometer wandelcorvee hierna wordt opgevrolijkt doordat er verschillende malen met grote trotse borden `Trampolines' worden aangeboden. Trampolines. Vervlogen luxe uit vervlogen jaren; saai na een uur spelen, maar hier houden de handelaars vol.

14 km. Kaart 14, 15, 16 uit: H. van Baak en E. Boterenbrood: Marskramerpad II. Uitg. Wandelplatform-LAW, Amersfoort. Begin- en eindpunt zijn verbonden met de bussen 102 (Terschuur) en 105 (Veenhuizerveld/Huinen). Overstappen in Voorthuizen.

    • Joyce Roodnat