Tijdloos kronkelen langs fluwelen fjorden

In IJsland reis je met een Full Circle-ticket met de bus het hele land land door langs de kusten met zes tegenliggers per uur.

Het groene noorderlicht danst met vreemde sprongen aan de zwartfluwelen hemel. Ver weg, maar toch verrassend helder, zijn lichten zichtbaar van eenzame boerderijen aan de voet van de besneeuwde bergen. In de autobus schettert de radio het avondnieuws, eerst dat van radio-Reykjavik, en daarna dat van de twee belangrijkste IJslandse tv-stations, anderhalf uur vrijwel onbegrijpeljke klanken. De buschauffeur, een tanige zestiger, krijgt er niet genoeg van, de drie passagiers luisteren zonder protest mee. Nieuws is belangrijk in IJsland, vooral in de winter: vorst, sneeuw en storm, vulkanen en aardbevingen kunnen van een gewone busrit een hachelijk avontuur maken. Deze avond is de winter kalm en op zijn mooist.

Drie uur na het vertrek uit Stykkisholmer, de charmante `hoofdstad' (1.100 inwoners) van de met honderden eilandjes en oud-Hollandse scheepswrakken bezaaide Breidafjordur en 230 kilometer door het magisch licht en duister van de heldere winteravond, komt een oneindige zee van fonkelende oranje lichten in zicht: de lange kustlijn van de agglomeratie-Reykjavik (185.000 inwoners). De bustocht, met slechts drie haltes en korte pauzes onderweg, eindigt bij BSI, het centrale busstation in Reykjavik, waar jaarlijks vele duizenden toeristen hun circa 1.500 kilometer lange rondrit langs de kusten van IJsland beginnen. Een Full Circle-ticket kost komend seizoen 260 euro of 390 euro voor wie ook de Westfjorden wil bezoeken – niet goedkoop, zoals vrijwel niets in IJsland goedkoop is. Er is geen tijdslimiet, onderweg kun je uitstappen waar je wilt, om te overnachten, of wat langer te blijven. Het seizoen begint in mei/juni en duurt tot eind augustus. Hotels en guesthouses gaan dan dicht, scholen waarin 's zomers rugzaktoeristen bivakkeren hervatten hun taak en alleen tussen de belangrijkste plaatsen rijdt af en toe nog een bus.

Op de westelijkste punt van Europa, 32 graden en 32.1 minuten westerlengte, begon mijn reis. De punt heet Lautabjarg, een veertien kilometer lange, honderden meters hoge muur van grijze rots die bijna loodrecht uit de donkere wateren van de Noord-Atlantische Oceaan oprijst. Een witte vuurtoren is het enige bouwwerk op Lautabjarg, waar 's zomers ontelbare zeevogels zoals de grappige papegaaiduikers nestelen. Vanaf de berg leidt een onverharde kronkelweg naar een dal, Breidavik, met een boerderij en een hotel annex restaurant dat over een prachtig strand uitziet. ,,Vier jaar geleden hadden we duizend gasten, in 2002 vierduizend. Volgend jaar komen de eerste gasten al in mei, het seizoen begint steeds vroeger', vertelt Birna, de goedlachse gastvrouw. De eenzame bouwvakker die een nieuwe houten terras bouwt, wijst met ingehouden trots op acht jonge grijze vossen die hij heeft geschoten (opbrengst 8.000 kronen, ofwel 200 gulden per paar). De 600 schapen van de boerderij kunnen gerust zijn.

Patriksfjordur, enkele tientallen kilometers verder, is de `hoofdstad' van het zuidelijke deel van de Westfjorden, die hier van fluweel lijken voor wie de stalen dreiging kent die uitgaat van de hoge bergen rond Isafjordur, de belangrijkste stad in het westen van IJsland. De ongeveer duizend inwoners van Patriksfjordur, in een ver verleden door een christelijke viking naar de Ierse heilige Saint Patrick vernoemd, leven zoals vrijwel alle dorpen aan de IJslandse kusten van oudsher van visvangst. In de visfabriek werken veertig mannen uit Polen, zoals er in de jaren zeventig ooit tachtig vrouwen voor een halfjaar uit Australië kwamen. Nu staan vele huizen leeg, of moeten opgeknapt worden, zegt Gudmunder Bergsteinsson, een visser met een eigen kleine boot. Alleen op Zeemansdag, begin juni, zijn ze er allemaal weer, de voormalige inwoners van `Patro', die zoals zovele andere inwoners van kleine dorpen naar Reykjavik zijn verhuisd. Dan zijn er ook de eerste bustoeristen, die naar Lautrabjarg gaan, of naar de overkant van de fjord, naar Hnjotur, waar Egil Olafsson zijn eigen wonderlijke museum met antiquiteiten heeft, met een vervallen US Navy-Dakota als pronkstuk.

De kortste weg – in dit lege land meestal even mooi als de langere – van het eenzame Patriksfjordur naar Reykjavik voert over een eenzame, deels onverharde weg over bergen en langs de kale kusten met hun schaarse boerderijen naar Brjaunsleikur, waar de veerboot Baldur vertrekt naar Stykkisholmer. De drie uur durende overtocht behoort tot de mooiste die je in IJsland kunt maken, langs de talloze eilanden, waarvan er een, Flatey, permanent bewoond is. Van Stykkisholmer, ruim 1.100 inwoners, met zijn idyllische haventje, zijn oude houten Noorse huizen en zijn restaurants waar sint-jakobsschelpen uit de `brede fjord' op het menu staan, rijdt een bus het hele jaar naar Reykjavik. Een nieuwe weg voert over de langgerekte bergketen Snaefellsnes, langs het stadje Borgarnes en via een vele kilometers lange en bochtige tunnel onder Kvalfjordur (walvisfjord), waar vroeger gevangen walvissen werden verwerkt.

Het ruim vierduizend inwoners tellende Selfoss, centrum van landbouw, paardenfokkerij en zomerhuizen in het soms Hollands vlakke `Suderland', is na een rit van een uur de eerste belangrijke bushalte na Reykjavik. Na nog enkele miniscule dorpen zoals Vik voert de tocht langs de zuidkust, over honderd kilometer onbewoonde vlakten tussen de zee en de enorme gletsjers (jokull). Ruim zes uur – waarvan de helft in de stromende regen – duurt de busreis van Selfoss door het vreemdste landschap van Europa tot Hofn, een sfeerloos havenstadje. De chauffeur belt onderweg mobiel of zijn leven ervan afhangt, de radio schettert, maar de asfaltweg is prima, er zijn zes tegenliggers per uur. De tientallen kilometers grote zandvlakten aan de voet van de blauwwitte Myrdalsjokull zijn grotendeels met sterk gras beplant – auto's worden niet langer zoals vroeger compleet gezandstraald als een hevige storm het fijne gruis doet opwaaien. ,,Soms smeerden we de auto's in met vet, dat hielp wel, het gruis bleef erin steken', vertelt Haraldur Sigurdsson die deze route jarenlang heeft gereden. Mijn bus, opnieuw met maar enkele passagiers, stopt regelmatig bij benzinepompen die in de kleine dorpjes vaak tevens koffiehuis en supermarkt zijn. De chauffeurs bezorgen pakken kranten en kisten met gereedschap, die onderweg in het duister ergens langs de weg worden opgepikt.

Hofn leeft, je ruikt het, van vis. En van de overweldige aanblik van Vatnajokull, met zijn oppervlakte van ruim 6.000 vierkante kilometer de grootste gletsjer van Europa. De dertig kamers van Hotel Hofn zijn voor de zomermaanden van 2003 al bijna volgeboekt, vertelt Gisli Vilhjalsmsson, een van de twee eigenaren. Natuurschoon is hier in overvloed: het nationale park Skatafell, verdergelegen kloven en meren in het ruige binnenland en Vatnajokull (letterlijk: watergletsjer) zelf trekken vele duizenden bezoekers.

Op de gletsjer, na een anderhalf uur durende spectaculaire rit met imposante terreinwagens, organiseert Gisli desgevraagd speciale visbuffets (170 euro per persoon) voor gezelschappen (`meestal zakenlui') die iets bijzonders willen vieren. Voor de busreiziger die gewoon zijn ogen wil uitkijken, is de weg van Hofn verder naar het zeer dun bevolkte oosten van IJsland zeker zo mooi. Hij begint met een spectaculaire klim (13 procent) die de bus in de eerste versnelling stapvoets haalt, en voert dan tussen de zee en hoge zwarte bergen en over talloze glasheldere rivieren naar de opeenvolgende fjorden, bijna elk met een eenzaam dorp. De eerste plaats van enige omvang is Djupivogur, 99 kilometer van Hofn, vroeger in Reykjavik bespot als `Oeganda', nu ook een zomerse toeristenbestemming.

De meeste bustochten in het oosten van IJsland beginnen en eindigen in Egillsstadir, de moderne regionale `hoofdstad', sfeerloos, maar prachtig gelegen aan een groot meer, een echt bos in de buurt en 's zomers vaker warmer dan elders in IJsland. Mijn busreis eindigt na een dik halfuur, langzaam over een moeilijke, bevroren en besneeuwde weg, hoog over een koude bergrug, in de belangrijkste havenstad van oost-IJsland, Seydisfjordur. Hier komen en gaan 's zomers de veerboten van Smyrill Line die Europese toeristen aanvoeren vanaf Hanstholm in Jutland, via Noorwegen en de Faerøer.

Seydisfjordur, dat in 1900 meer inwoners had dan Reykjavik en nu nog maar 800, is behalve als visserij- en veerhaven vooral bekend om zijn prachtige houten huizen, zoals overal in IJsland geschilderd in alle kleuren van de regenboog. De fraaie school, bouwjaar 1909, is stijlvol en perfect onderhouden. De Lutherse kerk is ingetogen lichtblauw, evenals het een jaar eerder gebouwde houten hotel aan de haven, dat vroeger Snaefell (sneeuwberg) heette. De bus stopt, tijd voor een simpele lunch: fiskibollir (visballen), aardappelen in de schil gekookt, rode bieten uit een pot. Jon, de chauffeur, schuift aan bij arbeiders die een nieuwe aanlegsteiger voor de veerboot bouwen. Het gesprek gaat over het nieuws van de dag: de vulkaan onder Myrdalsjokull dreigt uit te barsten.