SCHIJNBAAR DONKERE GAMMAFLITSERS GEVEN (KORTSTONDIG) LICHT

Astronomen in de Verenigde Staten hebben voor het eerst het nagloeien waargenomen van een tot nu toe raadselachtig type gammaflitser in het heelal. Slechts 65 seconden nadat de Amerikaanse satelliet HETE (High Energy Transient Explorer) de flits had gedetecteerd, wisten astronomen met een telescoop op aarde het licht ervan te fotograferen. Twee uur later was ook dit verdwenen. Deze waarneming suggereert dat ook de zogeheten `donkere' gammaflitsers, die ongeveer de helft van alle flitsen uit het heelal vormen, zichtbaar licht voortbrengen: als men maar snel genoeg kijkt.

Gammaflitsers zijn (op de Oerknal na) de krachtigste explosies in het heelal. Ze zijn afkomstig van verre sterrenstelsels en worden in verband gebracht met het einde van zeer zware sterren, of het op elkaar botsen van om elkaar draaiende neutronensterren of zwarte gaten. De flitsen worden gedetecteerd met satellieten. Bij ruwweg de helft wordt met optische telescopen op aarde ook een lichtpunt waargenomen: het nagloeien van het gas rond de explosiehaard. Van de andere helft kon tot nu toe geen zichtbaar licht worden waargenomen en daarom heten zij `donkere' flitsen.

De Amerikaanse HETE-satelliet kan van een gammaflits heel snel de positie bepalen, waarna die informatie via een speciaal netwerk vliegensvlug naar sterrenwachten wordt gezonden. Van de flits van 11 december was de positie al na 22 seconden op aarde bekend. Nog eens 43 seconden later kon de automatische RAPTOR-telescoop van het Los Alamos National Laboratory het licht ervan fotograferen. Dit was twee uur later alweer verdwenen, zodat ook deze gammaflits zonder de snelle reactie van HETE tot de `donkere' flitsen zou zijn gerekend. Nu kon men zien dat de explosie plaatsvond in een sterrenstelsel op een afstand van ongeveer 6 miljard lichtjaar.

Gewone gammaflitsen gloeien in zichtbaar licht soms dagen tot weken na. Waarom zijn de `donkere' flitsen dan zo snel weer verdwenen? Aanvankelijk werd gedacht dat dit kwam doordat de explosies in het betreffende sterrenstelsel plaatsvinden achter dichte wolken stof en gas. Volgens George Ricker, leider van het HETE-team, lijken de opnamen van 11 december er echter op te wijzen dat de explosie plaatsvond in een gebied met juist heel weinig stof. De oorzaak van het korte nagloeien zou dan moeten liggen in het feit dat zich rond de explosiehaard slechts weinig materie bevond die tot lichten kon worden gebracht.

    • George Beekman