Schaduwkind

Dit is voorlopig mijn laatste stukje op deze plek in de krant. In 2003 ga ik iets anders doen.

Rond de jaarwisseling verzenden sommige uitgevers aan vrienden en relaties een klein nieuwjaarsgeschenk. Die cadeauboekjes zien er meestal smaakvol uit; de inhoud is vrijwel altijd prettig en gezellig en zelden spectaculair. Temidden van die keuvelende nieuwjaarsboekjes is er dit jaar het geschenk van een aantal samenwerkende uitgeverijen, waaronder Contact, Atlas en Augustus. Het heet Schaduwkind en is van P.F.Thomése. Schaduwkind maakt alle overige nieuwjaarsboekjes in één klap futiel – en niet alleen de nieuwjaarsboekjes.

In april vorig jaar stond er in de krant een rouwadvertentie. Overleden was, zes weken na haar geboorte, Elisa Makira Thomése. Schaduwkind is een in memoriam, een klein requiem. `Rouw is rauw', zei Connie Palmen eens in een interview. Schaduwkind bestaat uit negentwintig notities, het één nog rauwer dan het andere. Aangrijpend en hartverscheurend zijn adjectieven die niet voldoen in het typeren van die notities. Schaduwkind ontstijgt het aangrijpende en hartverscheurende; het geeft vorm aan het onduldbare, onaanvaardbare. Wanhoop, woede en verdriet zijn in Schaduwkind eufemismen, afkomstig uit een domein dat zich laat begrenzen door de reguliere extremen van het gemoed. Eenmaal buiten die grenzen culmineren alle mogelijke gevoelens onherroepelijk in een ijzige gevoelloosheid. `Mijn gevoelens, op kamertemperatuur, kunnen de koude niet aan', staat er in een van de notities. De rouw raakt aan vrieskou, wordt zelf dood.

Misschien laat Schaduwkind zich het best omschrijven aan de hand van paradoxen. Eén ervan is dat dit in memoriam bestaat uit bevindingen van iemand die laat weten dat hij na het overlijden van zijn eerstgeborene niet meer gekend wil en kan worden. Hij is beroofd van alles, dus ook van taal. Andermans woorden zijn overbodig en overtollig: `Er is niemand die ons kan vertellen wat wij willen horen. [...] Ze vragen ons steeds naar onze gevoelens, maar we hebben niets om te laten zien. [...] We zwijgen ons een gat in de woordmuur, waardoor wij kunnen ademen.' Met zijn vrouw gaat de `ik' in Schaduwkind op reis, maakt niet uit waarnaartoe, onderweg van het onuitsprekelijke naar het sprakeloze. Zowel het onuitsprekelijke als het sprakeloze houden zich op achter die woordmuur – waar zich eveneens de dood bevindt, en waar zich, levend en wel, ook de ouders bevinden. Een tweede paradox: Schaduwkind is een levensbericht van gene zijde. Want: `Ik had het leven in de hand, maar nu heeft het mij in handen gekregen. Ik ontkende de dood, maar nu ben ik er thuis. Ik weet straks waar ik moet zijn: ik was er al.'

Omdat je na Schaduwkind voorlopig aan weinig anders denkt dan aan het enige in het boek dat leeft, te weten de dood, herlas ik het verhaal `Sprookje', uit Kerst en andere liefdesverhalen (1992) van Kristien Hemmerechts. Dat verhaal begint zo: `Er waren eens een man en een vrouw die een kind kregen dat leefde. Toen kregen ze nog een kind en het stierf, en toen nog een kind en ook dat kind stierf.' Net als Schaduwkind is Sprookje autobiografisch. In deze krant stond een paar jaar geleden een interview met Hemmerechts, waarin de dood van beide zoontjes ter sprake kwam, het één aan wiegedood, het ander aan een hartafwijking.

Een van de verschillen tussen Sprookje en Schaduwkind is de periode waarin de twee teksten geschreven zijn. Gegeven het jaar van publicatie is Sprookje vermoedelijk enkele jaren na de dood van de twee baby's geschreven – toen er weer taal was. Het is een terugblik op de tijd waarin alles buiten de dood van de kinderen onvolkomen, onaf, ontoereikend was. Schaduwkind is een directe verbeelding van die ontoereikendheid van al het bestaande. Sprookje voert terug naar de dood; Schaduwkind verspreidt de dood. Emily Dickinson schreef: `I Felt a Funeral, in my Brain'. De schrijver van Schaduwkind licht zijn grafgeworden schedel. Een tweede verschil betreft de schuldvraag die in beide teksten wordt gesteld. De `ik' in Sprookje geeft zichzelf de schuld. Zijzelf had dood moeten zijn, niet haar zoontjes: `Ik dacht: ik moet wel een erg slecht mens zijn dat ik twee keer word getroffen. Ik verwonderde me dat mensen nog met me wilden praten. Het was toch bewezen hoe slecht ik was.'

Voor de `ik' in Schaduwkind draagt de wereld de schuld. Thomése is zich er natuurlijk van bewust dat die schuld irreëel is. Maar dat besef maakt de wereld niet minder schuldig. `De levenden zijn de doden vaak teveel', schrijft John Banville ergens in zijn roman Eclips. Voor de dood-bij-leven zijnde schrijver van Schaduwkind zijn alle anderen teveel geworden. Duizenden anderen hadden dood moeten zijn, niet zijn dochtertje: `Als het zo is dat soms de verkeerden sterven, dan volgt daaruit dat er anderen dood hadden moeten zijn. Heel veel, zo niet de meeste levenden zijn ons onverdraaglijk geworden. In ons bijzijn de tijd doden, voor onze ogen het leven vermorsen. Maar kapotgaan, ho maar.'

In Sprookje dringt zich de mogelijke verlossing door zelfmoord op: `Ik ben in mijn bed gaan liggen [...] alsof je in je graf gaat liggen. Ik denk niet veel, ik denk: oef, nu kan ik sterven. Ik denk dat ik het over een week of twee zal doen [...]. Ik denk niet aan wie mijn lijk zal vinden, ik denk niet aan hun wanhoop. Geen seconde. Ik denk alleen maar aan hoe ik het zal doen.' In Schaduwkind is zelfmoord geen optie, want de `ik' weet zich zoals gezegd inmiddels dood bij leven. Hij was er al. `Onsterfelijk waan ik me, schrijft Thomése halverwege Schaduwkind, `want ik ben zojuist gestorven en toch sta ik hier nog. Nu het liefste mij is afgenomen ben ik onkwetsbaar geworden.' Die onsterfelijkheid en onkwetsbaarheid maken hem onontvankelijk voor al het bestaande – dus ook voor zelfmoord.

Voor de onsterfelijke die hij is geworden, is er geen ontsnappen aan het leven. Nérgens kan hij uit of aan ontsnappen, zelfs niet uit de kamer waarin hij aan het raam staat: `Als ik maar eens even de kamer uit wilde gaan, dan kon die eindelijk rustig instorten.'

    • Joost Zwagerman