OOK TUSSEN GROEPEN ORANG-OETANS BESTAAN CULTURELE VERSCHILLEN

Met een grootscheepse vergelijking van gedrag van wilde orang-oetans is door een team van primatologen vastgesteld dat ook bij deze mensapen cultureel overgedragen gedrag voorkomt. Zes groepen orangs, op verschillende plekken in Borneo en Sumatra, vertonen duidelijke verschillen in gedrag die niet zijn te herleiden zijn naar ecologische verschillen in hun leefopmgeving (Science, 3 januari). Het gaat om gedraging als het gillen met de handen voor de mond als toeter, het `meerijden' op vallende takken en er net op tijd afspringen, het omschoppen van vermolmde boomstronken om de insecten eruit te eten, het maken van sputterende geluiden tijdens het bouwen van nesten en het gebruik van werktuigen voor seksuele stimulatie bij zichzelf. Soms komt zo'n gedrag maar bij een van de zes groepen voor, maar soms ook bij vijf van de zes. Voor in totaal negentien gedragingen kon geen ecologische verklaring worden gevonden waarom het bij de ene groep wel en bij de andere groep niet voorkwam. Voor vijf gedragingen (zoals het kapot maken van oude nesten om insecten te vinden) kon een ecologische verklaring niet helemaal worden uitgesloten.

Het onderzoek, onder leiding van de Nederlandse primatoloog Carel van Schaik (Duke University, North Carolina) sluit aan bij een eerdere grootschalige vergelijking van gedragingen van chimpansees uit 1999 (Nature, 17 juni 1999) onder leiding van de Brit Andrew Whiten. Dat team stelde toen vast dat bij zes verschillende wilde chimp-groepen in Afrika in totaal 39 gedragingen bij sommige groepen wel voorkwamen en bij andere niet, zonder dat daarvoor een ecologische verklaring kon worden gevonden (zoals het slapen in boomnesten in plaats van op de grond als er roofdieren voorkomen).

Op het onderzoek uit 1999 kwam indertijd kritiek van sceptici die zeiden dat er kennelijk niet goed genoeg gezocht is naar ecologische verklaringen. Zo zou een cultureel verschil in de manier waarop met een stokje mieren worden gegeten wel degelijk verklaard kunnen worden uit een verschil in agressiviteit van de mierensoorten ter plaatse. Om dit soort kritiek voor te zijn hebben Van Schaik en zijn collega's (onder wie de beroemde orang-oetanonderzoekster Birute Galdikas) hun bevindingen statistisch verder bewerkt en patronen gevonden die overeenkomen met culturele verspreiding van de gewoonten. Zo vonden ze een verband tussen de geografische afstand en culturele verschillen. Ook vonden ze een verband tussen de hoeveelheid typerende culturele

gebruiken en de hoeveelheid tijd die niet-afhankelijke dieren in elkaars nabijheid

doorbrachten. Juist door die grotere samenhang in een groep kunnen gebruiken zich beter verspreiden en handhaven. Hetzelfde verband vonden ze trouwens ook bij het narekenen van dezelfde gegevens van het chimpanseeonderzoek.

Dat enige vorm van culturele overdracht van gedragingen nu ook bij orang-oetans is vastgesteld betekent dat deze culturele gebruiken waarschijnlijk ook al bestonden bij de gemeenschappelijke voorouder van chimpansees en mensen enerzijds en orang-oetans anderzijds. Die voorouder leefde waarschijnlijk 14 miljoen jaar geleden (de gemeenschappelijke voorouder van mens en chimp leefde waarschijnlijk 5 tot 7 miljoen jaar geleden). Dit soort cultuur is dus geen privilege van de mens, zoals tot voor kort vaak wel gedacht werd.

    • Hendrik Spiering