Ongenaakbaar ligt hij naar ons te lonken

Bergen beklimmen in Ecuador. Verhaal van straffe voorbereiding, ferme tegenslag, volle overgave en uiteindelijk een beetje victorie.

Iedere berggids heeft wel eens een bevriende collega verloren. Zo ook Diego. Kortgeleden nog, in Peru, bij een niet eens zo heel moeilijke beklimming. Groepje ongetrainde toeristen mee, toppoging in het vooruitzicht gesteld, maar het weer zat tegen. Onder druk van de groep (,,We hebben er toch voor betaald!'') toch omhoog gegaan, onverrichter zake omgekeerd en in de afdaling op onbegrijpelijke wijze een fout gemaakt, lawine veroorzaakt en hup, weg. Dood. Diego haalt er zijn schouders bij op. Het zal hem nooit overkomen, hij kent de bergen immers, hij weet wat wel en wat niet kan.

Diego Zurita is berggids in Ecuador. Al jaren. Wij zijn drie Hollanders die besloten hebben in Ecuador een intensief klimprogramma te doen, met als ultiem doel de beklimming van de Chimborazo, met 6.310 meter Ecuadors hoogste berg. Dankzij de ellipsvorm van de aarde ben je op de top van Chimborazo het verst verwijderd van de kern van de aarde, en derhalve het dichtst bij de zon. Dichterbij dan op 's werelds hoogste berg, de Mount Everest! Technisch niet zo ingewikkeld, die Chimborazo, wisten we. Dachten we.

De voorbereidingen op de reis zelf waren op zijn zachtst gezegd intensief en veelzijdig. Niet alleen hadden we de afgelopen jaren met alpiene cursussen ervaring opgedaan in het hooggebergte in Europa, om conditioneel in topvorm te geraken hadden we het hele jaar gefietst (ook in de Alpen) en hardgelopen. En in Ecuador zelf wilden we niets aan het toeval overlaten. In overleg met Edward Bekker, een Nederlandse berggids die expedities en reizen verkoopt, waren we tot een mooi acclimatisatieprogramma gekomen. Langzaam via toppen van 4.000 naar 4.500 en 5.000 meter wennen aan de hoogte en dan naar de `echte' bergen. Twee weken de tijd, veel slapen op grote hoogte, veel lange tochten maken. Ons kon niks gebeuren. Dachten we.

Vond Diego ook, maar die kwam meteen al bij ons kennismakingsgesprek in Quito met een vervelende mededeling. Ons hoofddoel, de beklimming van de Chimborazo, zou wat hem betreft tot `bijdoel' gebombardeerd moeten worden. Als we ons nou eens op de Cotopaxi (5.897 meter, Ecuadors tweede berg, maar hoogste actieve vulkaan) zouden concentreren. De Chimborazo is de laatste jaren lastiger geworden, ze verijst dankzij een uitbarsting van de naastgelegen vulkaan Tungurahua eind 1998. Door de asregen van de Tungurahua is alle sneeuw verdwenen van de top van de Chimborazo, de kap bestaat alleen uit ijsvlaktes en ijspilaren.

We zouden wel zien, besloten we, nog niet geheel overtuigd door Diego's argumenten. Laat eerst die oefenbergen maar komen.

De Cotopaxi (5.897 meter) oogt vriendelijk, en als we rond middernacht in het pikkedonker aan onze poging beginnen om de top te bereiken, is het weliswaar stormachtig en ijskoud, maar het had erger gekund. Het starten in de nacht heeft te maken met het uur van aankomst bij de top: de sneeuwmassa moet dan nog hard zijn. Vlak bij de evenaar smelt de sneeuw na zonsopgang rap. Alles verloopt voorspoedig, totdat we na anderhalf uur in het donker klimmen bij de rand van de gletsjer aankomen. Hier moeten de stijgijzers onder, de pickels in de hand en de touwen aangelijnd. Zwoegend zitten we op de rand van rots en ijs. De harde wind zorgt voor een continue zandstraling van handen en gezicht.

Eenmaal op de gletsjer begint de sneeuwklim. Steiler dan verwacht, denk ik, terwijl we af en toe bijna loodrechte sneeuw- en ijspassages nemen. In Europa wordt er veel meer `gezigzagd', maar we hadden bij het inlopen een paar dagen eerder al gemerkt dat in Zuid-Amerika de weg recht omhoog geprefereerd wordt boven minder steile omwegen. Het zij zo. Bij onze eerste stop op de gletsjer blijken we volgens de hoogtemeter op ongeveer 5.400 meter te zitten. Ondanks de lange zware tocht heb ik geen honger of dorst. Ik neem een slok ijskoude thee, een halve hap van een reep chocolade en wil weer door. Boven de 5.500 meter krijg ik problemen, niet zozeer hoogteziekte, als wel zuurstoftekort. We lopen langzaam een stap, diep in- én uitademen, weer een stap maar toch kom ik in ademnood. De bivakmuts en Gore-tex-capuchon belemmeren een vrije ademhaling, met een wild gebaar schuif ik ze weg, zodat wind en kou vrij spel krijgen op mijn gezicht. Maar ik adem weer! Ik vraag om een korte stop, hang een halve minuut op mijn stok en pickel uit te hijgen en geef het teken dat we weer verder kunnen. Het is half zes in de ochtend en nog steeds donker.

Tjalko heeft het inmiddels zwaarder en ook Marieke zegt niets meer. Op de volgende stop, 5.724 meter volgens de hoogtemeter, begint het licht te worden. Het uitzicht is prachtig, maar mijn twee klimmaatjes zijn kapot. Tjalko barst van de hoogteziekte en kan bijna niet meer uit zijn ogen kijken. Marieke valt zowat om van de koppijn. ,,Als er iemand doorgaat, ga ik mee'', mompelt ze half verstaanbaar. Nee dus, de afspraak is: wordt er iemand ziek, dan gaan we met z'n allen terug. De frustratie verbijtend – het zou nog maar een uur klimmen zijn geweest naar de top – keren we om, naar hut en basiskamp.

Twee dagen later op weg naar de Chimborazo dan maar. Diego belt met collegagidsen die de afgelopen dagen een poging hebben gedaan de top te bereiken. Hij heeft slecht nieuws: niemand heeft het gehaald, is zelfs maar in de buurt gekomen van de top. IJs en wind, knikt Diego veelbetekenend. Met onze jeep rijden we linea recta naar de parkeerplaats 200 meter onder de Edward Whymper-hut, op 5.000 meter hoogte aan de voet van de Chimborazo. Het is extreem zonnig, een straffe wind blaast met windkracht negen over de vlakte, maar de berg lijkt overwinbaar. Diego is sceptisch, ,,Wacht maar tot de avond valt'', zegt hij, die het kan weten.

Ik vraag me af of we niet te netjes aan het worden zijn. In alle boeken over expedities en beklimmingen staan tegenslagen, waarvan de meeste wel overwonnen worden. Een beetje druk op de gids kan toch geen kwaad. Een beetje peer pressure op de collegaklimmers is geen schande! Het gaat verdomme om de top, toch? Of zouden we te veel gelezen en geleerd hebben over de gevaren van de bergen? Daardoor geen risico's durven nemen, in de wetenschap dat een misstap of een miscalculatie fataal kan zijn? Ik kom er niet uit en ga met een onrustig gevoel slapen.

Kwart over elf 's nachts, een zaklamp schijnt in mijn gezicht. Diego, met slecht nieuws. We gaan het niet proberen. Wisten we eigenlijk al. De ramen van de hut waren zo ongeveer uit hun kozijnen geblazen, het was ijskoud in de slaapzaal. Marieke en ik kunnen het niet laten toch even buiten te gaan kijken. Koplamp op, kleren aan en met beide handen de deur vasthouden. Ik heb een halve minuut met mijn volle gewicht in de wind gehangen.

Gefrustreerd over twee gesneefde toppogingen komen we een dag later in Quito aan. Tjalko heeft het gehad met het hooggebergte. Maar juist omdat dit voor hem de laatste keer zal zijn dat hij naar dergelijke hoogtes klimt, is hij vastberaden nog een keer een toppoging te doen. Marieke zegt niets, ik ben eerst fel tegen, heb geen zin meer, maar ga uiteindelijk toch om. Cotopaxi, here we come again!

Alles ziet er slecht uit als we ons de volgende dag in het Nationale Park staan om te kleden voor de tweede poging. Waar een week eerder de zon nog volop scheen en de Cotopaxi goed te zien was, was de top nu onzichtbaar gehuld in de wolken. Ik baalde, maar we gingen door.

Een half doorwaakte avond later gaan we eruit, het is even voor middernacht. Puinveld over, stijgijzers onder, gletsjer op. Vijfenhalf uur lang lopen langs een route die we kennen, die we eerder gelopen hebben. Het is donker, mistig en koud, maar we lopen door. Voorbij het punt waar we een week daarvoor zijn omgekeerd. Voorbij een nieuwe steile sneeuwpassage waar de adem je echt wordt benomen door de kou en de wind. Langs die prachtige overkapping van sneeuw en meterslange ijspegels, over dat laatste sneeuwrandje, toch nog twintig minuten steil omhoog. En daar, bij een ongetwijfeld prachtige zonsopgang in de mist, bij een zicht van minder dan vijf meter en bij een temperatuur van naar schatting 15 graden onder nul, spreekt Diego de verlossende woorden. ,,We zijn er.'' Victorie op bijna 6.000 meter. Geen zicht op de prachtige krater, geen zicht op het dal met in de verte de hoofdstad. Geen zicht op alle andere vulkanen. Slechts zicht op elkaar, tenminste, als je dicht bij elkaar blijft.

Van de bergen krijg je niets cadeau.