Nog net geen zingend zand

Dunhuang in China is geen mooie stad maar de honderden grottempels er om heen zijn magnifiek. En na de schilderingen per kameel door de woestijn.

Ze verkoopt zoete gele meloenen die de vorm hebben van rugbyballen aan auto's en vrachtwagens die de Gobi-woestijn doorkruisen. Dag en nacht brengt ze door in haar stalletje, dat is opgebouwd uit een paar takken met daar overheen een groot stuk kleurig plastic. Is ze niet bang, met al die eenzame chauffeurs die midden in de nacht bij haar stalletje stoppen? ,,Ik ben veel banger voor wat er van die kant kan komen'', zegt ze, terwijl ze over haar schouder naar de woestijn achter haar wijst. Er liggen verspreide grafheuveltjes in het zand, met rouwkransen van kleurig papier. ,,Die zouden hier 's nachts maar wat graag komen rondspoken'' zegt ze, ,,maar door al het verkeer op de weg durven ze gelukkig niet.''

Er ligt nog veel meer verscholen in het woestijnzand rond de oude oase van Dunhuang. Vroeger was Dunhuang een belangrijke karavaanstop langs de Zijderoute, inmiddels is de plaats verworden tot een lelijke Chinese provinciestad zoals er zo veel in China te vinden zijn. De talrijke bussen met vooral Japanse en Chinese toeristen komen dan ook niet voor de stad, maar voor de magnifieke grottempels die er rondom in de woestijn in drie grotcomplexen zijn gebouwd. ,,Het is wel minder druk dan voorgaande jaren'', zegt de baas van een restaurant dat zich heeft gespecialiseerd in het bakken van pannenkoeken met banaan voor Westerse rugzaktoeristen. ,,De mensen durven toch minder te reizen, met al dat terrorisme. En dit is een gebied waar veel islamieten wonen.''

De grottempels zijn geen hoogtepunt van islamitische, maar van boeddhistische kunst, en de oudste grotten dateren van de vierde eeuw na Christus. Toen hakten tot het boeddhisme bekeerde gelovigen in Centraal-Azië grotten uit in de zandstenen rotsen. De bouw van die grottempels ging zo'n duizend jaar door, en zo ontstond een van de grootste schatkamers van boeddhistische kunst die ooit ter wereld werd aangetroffen.

Na de veertiende eeuw, toen de Zijderoute in onbruik was geraakt, stopte het werk aan de grotten, en langzamerhand vergaten de mensen dat ze bestonden. Ze kwamen pas weer in de belangstelling te staan toen een zekere Wang Yuan bij toeval op een verborgen kloosterbibliotheek in het grottencomplex van Mogao stuitte. Hij trof er een kostbare verzameling schilderingen en boeddhistische geschriften aan, die er in de elfde eeuw door monniken waren ingemetseld voordat zij de grotten moesten ontvluchten omdat het volk van de Xixia zich meester wilde maken van de streek.

In China was er aanvankelijk maar weinig belangstelling voor de schatten die Wang Yuan vond, maar hij vond des te gretiger afnemers in Engelse, Franse Duitse en Russische ontdekkingsreizigers en sinologen die het gebied doorkruisten. Zij kochten enorme hoeveelheden documenten en schilderingen op, zodat veel van wat Wang Yuan aantrof nu in Westerse musea en bibliotheken te vinden is. Ook wisten zij een aantal fresco's van de muur te lichten, zodat van sommige muurschilderingen hele delen ontbreken.

De chauffeur die mij naar Mogao rijdt, vertelt dat hij als kind gewoon nog vrijelijk in de grotten kon spelen. Er zaten geen deuren voor, en niemand bewaakte de kunstschatten. Hij herinnert zich hoe hij in een van de grotten fikkie stookte, en hoe hij de schilderingen voor zijn ogen zwart zag blakeren. ,,We zagen er toen de waarde niet van in'', zegt hij. Nu leeft hij van het af- en aanrijden van individuele bezoekers naar de grotten, die op zo'n vijfentwintig kilometer van Dunhuang liggen.

Het bezoek aan Mogao begint met een teleurstelling: je mag de grotten niet op eigen houtje bezoeken, je komt er alleen in met een gids. Die gids wacht tot er een groep van zo'n twintig mensen is verzameld, en dan maakt hij met een enorme sleutelbos de aluminium deuren die toegang geven tot de individuele grotten open. Die deuren zitten in betonnen wanden gemetseld, die ter bescherming van de grotten dienen. Functioneel, maar ook foeilelijk. De gids bepaalt welke grotten de groep bezoekt, en dat is maar een fractie van de bijna vijfhonderd grotten die het complex telt. Er zijn zo'n vijftig grotten opengesteld, en daarvan bezoekt de gemiddelde groep er een stuk of tien, vijftien.

De variatie in grotten is enorm: de Chinezen vinden over het algemeen die uit de Tang-dynastie (618- 907) het mooist, omdat daar de schilderkunst het meest verfijnd is en omdat die grotten het meest `puur' Chinees aandoen. Maar juist in de oudere grotten, waar duidelijke invloeden uit India en andere niet-Chinese culturen zijn te zien, zijn de schilderingen verrassend en verscheiden. De beelden in de grotten zijn veelal verdwenen of niet origineel, en dat maakt ze minder interessant dan de muurschilderingen.

In de meeste grotten brandt geen licht, dat zou de schilderingen te zeer aantasten. Alleen in de beroemdste grot, die waar Wang Yuan op de kloosterbibliotheek stuitte, brandt een vreemd groen schijnsel. Dat komt van Amerikaanse lampen, waarbij de voor de muurschilderingen schadelijke straling uit het licht gefilterd is. De lampen worden nu getest, en misschien worden ze daarna in meer grottempels aangebracht. Nu is alles alleen te bewonderen bij het zwakke licht van gehuurde zaklantaarns.

De Yulin-grotten en de grotten van de Westelijke Duizend Boeddha's worden nauwelijks bezocht, terwijl ze muurschilderingen bevatten die zeker van dezelfde kwaliteit zijn als die in Mogao. Vooral een tocht naar de Yulin-grotten loont de moeite, omdat het landschap waar je dan doorheen rijdt zo spectaculair is. Rondom Dunhuang is er eerst nog een stuk oase, waar katoen wordt verbouwd. Dan kom je in de uitgestrekte woestijn terecht, met opeens allemaal felgeel en -rood gekleurde boompjes aan de oever van een stroompje. Daarachter liggen de verlaten grotten.

De opzichter, die met een grommende herdershond voor de deur in een zwartgeblakerde grot woont, is na enig aandringen bereid om de deuren van de grotten te openen en om uitleg te verschaffen. Dan gaat hij weer terug naar zijn grot, waar een angstwekkend houten godenbeeld de achterwand achter zijn bed vult.

Er is ook een leuk bovengronds uitstapje te maken in de buurt van Dunhuang. Je kunt er naar de Mingsha-zandduinen, het woestijngebied waar de Nederlandse filmer Joris Ivens eind jaren tachtig opnamen maakte voor zijn film Een verhaal van de Wind. Het gebied is inmiddels uitgegroeid tot een enorme toeristische attractie, met eindeloze kraampjes waar je pluche kamelen in alle soorten en maten kunt aanschaffen. Je kunt er een stukje op een kameel door de zandheuvels rijden, en dat is ondanks al het toeristische gedoe er omheen eigenlijk opvallend leuk.

De bergen danken hun naam (Mingsha betekent: zingend zand) aan het hoge, gierende geluid dat het zand zou maken als je er vanaf roetsjt op een bamboe sleetje. Dat doet iedereen dan ook vol overgave, maar zingend zand is er helaas niet te horen.

Eens zou hier een heel leger tijdens een zandstorm onder het zand zijn begraven, en dat leger zou nog steeds marsmuziek spelen. Hun geesten worden nog steeds gehoord, want ook in de buurt van Mingsha zijn er genoeg vrouwen die zoete gele meloenen verkopen.

    • Garrie van Pinxteren