Naakt de zon begroeten

Er is geen betere methode voor onthaasting dan een verblijf in een `verborgen' heetwaterbron in Japan. De mooiste onsen liggen diep in de wildernis.

Poedelnaakt zoek ik om vijf uur 's ochtends mijn weg door de vers gevallen sneeuw langs de rivier. In het halfduister gebeurt op de rotsen het onafwendbare. Op een schuin aflopende rots glijdt mijn voet weg. Languit lig ik in de sneeuw. Enkele meters verder wacht in de smalle bergvallei, direct naast de rivier, gelukkig een groot bad van rotsblokken met heet bronwater. In de weldadige warmte van het lichtblauwe, naar zwavel ruikende water rest ons niets anders dan wachten op de zonsopgang. Rondom dragen de bomen stil hun sneeuwpracht. Een esdoorn vol dieprode herfstbladeren lijkt overvallen door de vroege sneeuw deze winter. De stilte van het landschap overweldigt het geraas waarmee de rivier zich over de rotsen de vallei in stort.

Er is geen betere methode voor onthaasting dan een verblijf in een `verborgen' heetwaterbron in Japan. Een bezoeker aan het land doet zichzelf onrecht als hij dit overslaat.

Succes staat of valt echter met het uitkiezen van de bestemming, want heetwaterbronnen, of onsen, zijn er in vele soorten. Japan telt er krap drieduizend. Vele onsen zijn uitgegroeid tot toeristencentra met tientallen grote hotels waar het openluchtbad de beste attractie soms domweg op het dak van een gebouw van tien etages is neergezet. Dit soort hotels zijn vooral gericht op afhandeling per lopende band van luidruchtige groepen, bedrijfsuitjes bijvoorbeeld, en dienen te worden gemeden.

Wie zich echt wil ontspannen moet met zorg een kleine herberg ergens in de wildernis uitkiezen. En dus storten wij ons in september op een stapel tijdschriften en gidsen om ons verborgen paradijs te vinden. Bij een reeks herbergen zijn we al te laat om nog een kamer in een herfstweekend te kunnen krijgen. De herfst is populair vanwege de bijzondere herfstkleuren die alleen ver van de steden nog goed zijn te genieten. Nabij de bewoonde wereld is het oude loofbos van kers, esdoorn en berk vervangen door saaie aanplant van cederbossen. Uiteindelijk lopen we aan tegen de Namekawa Onsen – `Bron aan de Glibber Rivier'.

De bron ligt aan het einde van een smal dal in de noordelijke provincie Yamagata en telt slechts één herberg, de Fukushimaya, waar we de laatste kamer weten te bemachtigen voor een lang weekend in november.

Met de shinkansen, de Japans hogesnelheidstrein, reizen we rechtstreeks naar het noorden tot Fukushima. Juist als we uitstappen wordt omgeroepen dat de shinkansen voorlopig wordt stilgelegd vanwege een aardbeving in de regio, naar later zal blijken een schok van 6,1 op de schaal van Richter met epicentrum net buiten de kust. Regelmatige aardbevingen die nacht is er weer een zijn de mindere kant van alle activiteit in de Japanse aardkorst, maar de onsen die hieraan zijn te danken maken veel goed.

Ons lokale treintje is minder gevoelig voor aardbevingen en vertrekt op tijd om ons dwars over het eiland door de bergen naar de `achterkant' van Japan te brengen, de noordwestkust waar kille Siberische winden 's winters metershoge sneeuw brengen. Na een slingerende rit door vele tunnels stappen we uit op een eenzaam, donker perron in een loods van stalen golfplaten dat aan een tunnel is vast gebouwd: Station Bergpas. De loods dient om het station sneeuwvrij te houden, maar geeft de indruk alsof we uit een kolenmijn zo een fabriekshal zijn binnengereden.

Onder de spaarzame lantaarns loopt een jongen langs de trein zijn koopwaar aan te prijzen, koude kleefrijstballen in een houten bak die voor zijn borst hangt. De trein lijkt hier alleen te stoppen omdat hij een bergpas nu eenmaal niet zomaar links kan laten liggen.

De grootste verrassing ligt op het dak van het busje van de Fukushimaya dat in de hal op ons staat te wachten: een laag sneeuw. In Tokio zien we dat hooguit een keer per jaar, of helemaal niet. Via een kleine bergweg rijdt het busje langzaam maar zeker dieper `sneeuwland' in. Aan het eind van een vallei eindigt de weg abrupt voor de stenen trap naar de ingang van de herberg. Een dame met schort en hoofddoek leidt ons door het geheel houten pand naar onze kamer. De lange gangen met krakende houten vloeren zijn onverwarmd en kil. Papieren schuifdeuren naar de kamers geven makkelijk de inhoud van gesprekken prijs. Een oud Japans huis tocht aan alle kanten. Winter is een korte periode waarin je de tanden maar even op elkaar moet zetten.

In onze kamer knielt de vrouw op de dikke rieten vloermatten om zittend uitleg te geven over de huisregels: avondeten om half zes en ontbijt om half acht, beide geserveerd op de kamer. Er zijn drie baden: het openluchtbad rotenburo is gemengd en ligt achter de herberg aan de rivier, vanaf vier uur 's middags hebben vrouwen echter anderhalf uur de tijd om zonder de spiedende ogen van mannen rustig te genieten. Binnen zijn ook twee baden: een groot gemengd bad en een klein bad alleen voor vrouwen. Al dat soort preuts gedoe hoort vanouds niet thuis in Japan, maar jonge vrouwen hebben soms moeite met gemengde naaktheid. Wat geen Japanner echter ooit zal doen is het meenemen van een badpak. De toerist die dat wel doet zal zich voor eeuwig belachelijk maken. Ontspanning in een onsen gaat juist om het afwerpen van alle pretentie van het dagelijkse leven.

Ik kleed me snel om in de klaarliggende yukata een dunne katoenen kimono voor gebruik bij baden en de dikkere katoenen overjas en spoed me op blote voeten in slippers richting buitenbad, voordat de vrouwen straks het rijk alleen hebben. Het water is ruim veertig graden en verwarmt het lichaam tot diep in de botten. Na het bad neem ik van de balie een fles bier mee naar de kamer, want het wordt al snel donker en iets anders dan verlekkerd wachten op het avondeten is er niet te doen.

De Fukushimaya is gesticht in 1762 en nog steeds in handen van dezelfde familie, inmiddels de dertiende generatie. Deze geschiedenis, en het onopgesmukte uiterlijk van de herberg, verloochenen zich niet bij het avondeten. Om halfzes schuift de papieren kamerdeur open gemanierde bediening doet dit zittend op de grond opdat men dezelfde ooghoogte heeft als de gast die in de kamer op de grond zit en komt dezelfde dame binnen met `dienbladen op pootjes' die als individuele eettafel dienst doen.

Een goed Japans maal bestaat uit een groot aantal kleine gerechten, goed gevarieerd in smaak en kleur. Men trakteert ons op een met zout ingewreven, gegrilde `bergvrouw' (een kleine riviervis), gefrituurde blaadjes groot hoefblad, ei met varen en bamboe, een moot karper die enkele uren in zoete sojasaus heeft gesudderd, en nog zo een en ander, vergezeld van sake. Een kom rijst met wat soep komt pas als afsluiting, want zolang men rijstwijn drinkt moet de rijst wachten.

De kamer is verwarmd met een klein gaskacheltje, maar op de gang begint de kou al en buiten is het stikdonker, dus wat doet men verder met volle maag na zo'n heerlijk bad? Een beetje lummelen, de matrassen uitspreiden op de rieten vloer en lekker wegdommelen met een boek. Om de volgende ochtend ruim voor zonsopgang weer wakker te worden. Buiten blijkt een dikke laag versgevallen sneeuw te liggen, dus in de yukata weer snel naar het buitenbad aan de rivier om geheel naakt de zon te begroeten.

    • Hans van der Lugt