Met Annie M.G. langs de lange Thaise grens

Reizen in de tropen met kleine kinderen vergt enige aanpassing. Hun ritme is onverbiddelijk, hun vakantiebehoeften anders en je sleept enorm veel bagage met je mee. Met de auto dan maar. Door Maleisië.

Altijd gedacht dat het louter vakantiefoldertaal was: wuivende palmen, hagelwitte stranden, azuurblauwe zee, wolkenloze hemel, tintelzacht briesje. Maar plekken waar dat allemaal samenkomt bestaan echt. Op de Perhentian Eilanden Kecil (klein) en Besar (groot) twee vlekjes in het uiterste noordwesten van het schiereiland van Maleisië. Aan de meeste van die witte stranden staan resorts, vakantieoorden waar je van je huisje in zee loopt. Na tien meter lopen begint een koraalrif waar tropische vissen wegschieten. Branding is er niet en de zee wordt maar héél geleidelijk dieper. Met andere woorden: ideaal voor kleine kinderen. En daar draait het deze reis om.

We maken met de auto een rondje over het schiereiland dat overigens maar een deel is van Maleisië. Want ruim 700 kilometer naar het oosten ligt de grotere en zeer dunbevolkte rest, op het eiland Borneo. In de auto zitten, afgezien van de ouders, een jongetje van één en een meisje van vier en vooral: heel veel bagage. Hoe kleiner de kinderen, hoe meer je voor ze mee moet slepen. Dat maakt dat een rondreis als deze bijna niet mogelijk is zonder auto. Gelukkig zijn de wegen goed en voor Aziatische begrippen zelfs voortreffelijk.

De auto doet het, de kaart (Nelles) is duidelijk, via internet zijn alle hotelovernachtingen geboekt: we hoeven alleen nog maar de voet op het gaspedaal te zetten. Maar hoeveel flexibiliteit zo'n auto ook biedt, waar wij als jonge ouders erg aan moesten wennen, was dat een reis met kleine kinderen totaal anders is dan wat wij als kinderloze rugzaktoeristen gewend waren.

Neem onze eerste stop. Malakka, zo'n honderdvijftig kilometer ten zuiden van de hoofdstad Kuala Lumpur. Vier eeuwen geleden was het hier een en al VOC wat de klok sloeg. Nederlandse huizen, een protestante kerk en het Stadthuys een kopie van dat van Hoorn staan er nog steeds. Malakka heeft zulke slechte herinneringen aan de Hollanders `ze namen te veel en gaven te weinig', heet het dat de VOC-periode onder het vloerkleed is gemoffeld.

Een uitdaging voor Nederlandse toeristen die in de oude stad kunnen speuren naar vaderlandse invloeden. Maar een mannetje van één en een meisje van vier beleven weinig vreugde aan de ontdekking van een VOC-logo op een keukentegel of van typisch Hollandse gevelankers die een bouwjaar onthullen. Gevolg: onderhandelingen tussen partij A, de ouders, en B, de kinderen. `Nu de stad bekijken, straks een ijsje/slapen/zwemmen.' Dat laatste overigens niet in zee, want Malakka ligt aan de nauwe, gelijknamige Straat en dat is een van de drukste vaarroutes ter wereld.

Kuala Lumpur `Ké El' in de volksmond heeft beide partijen meer te bieden: 's avonds het sprookjesachtig station en gerechtsgebouw, overdag het hoogste gebouw op aarde, de roestvrijstalen Petronas Twin Towers. De Maleisische leider, Mahathir Mohamad, bedacht dat het breken van records de snelste manier is om zijn volk zelfvertrouwen te geven. En dus staan de twee torens van 88 verdiepingen (450 m hoog) op het grootste winkelcentrum van Azië toneel ooit van het record `haren wassen' (1.068 hoofden tegelijk). Verder bezit KL de langste vlaggenmast ter wereld en zal de enorme speeltuin-met-kikkerbad aan de voet van de Twin Towers ook wel een record hebben gebroken. Het park helpt partij A in ieder geval bij de onderhandelingen met partij B.

Hoezeer Maleisië het ook probeert, het is geen ontwikkeld land. Dat wil het in 2020 zijn. Je ziet het aan hotels en resorts. Van een afstand oogt het bijzonder luxe, maar dichterbij blijkt dat ze in Maleisië weinig op hebben met onderhoud. Afbrekende leuningen en ramen die uit hun sponning dreigen te vallen, konden ons niets schelen toen we nog geen kinderen hadden. Maar nu zien we in elke loszittende tegel en roestige spijker die uit verrot hout steekt een gevaar voor onze kruipende jongen van één en onze spring-in-het-veld van vier.

Stop drie: de Cameron Highlands. Verkoelend, zo'n bergplateau op 1.500 meter hoogte, tweehonderd kilometer ten noorden van `KL'. Hier voelde de Britse kolonisator zich thuis en dat is te zien. Her en der staan Engelse landhuizen en alle hotels zijn opgetrokken in de Tudor-stijl van zwarte balken in wit pleisterwerk. Wandelen over junglepaden of door oogverblindende theetuinen is wat je hier moet doen. Maar met een buggy gaat dat niet. Alleen het begin van wandeling nummer negen is betegeld tot aan de fraaie Robinson waterval. `Hadden we maar een rugdrager', verweten we onszelf voor het eerst. De tweede keer was toen we op de Perhentian Eilanden Nederlanders tegenkwamen die in het nationale junglepark Taman Negara waren geweest. Die `must' in het hart van het schiereiland, waar je over boomtoppen kunt lopen, doen we wel een keer zonder kinderen, dachten we voor vertrek. `Stom van jullie', zeiden de Nederlanders, `als je zo'n drager hebt, is Taman Negara ideaal voor kleine kinderen.'

De weg van de Cameron Highlands naar Kuala Besut van waaruit speedboten met 55 kilometer per uur naar de vakantiefoldereilanden varen loopt met een grote boog langs de Thaise grens. Maar dat is geen straf, want hij voert langs meren, door bergpassen en palmplantages. Liedjes van Annie M.G. Schmidt slepen de kinderen erdoorheen. `Ottertjes mogen voor niets!'

De Perhentian Eilanden horen bij de deelstaat Kelantan die net als het naburige Terengganu in bestuurlijke handen is van de moslimfundamentalistische PAS-partij, de aartsvijand van de nationale machthebbers in Kuala Lumpur. Het enige wat een gast op de eilanden van dat `fundamentalisme' merkt is dat alcohol iets moeilijker te krijgen is. Maar de vileine staatspers wil toeristen evenwel doen geloven dat het alle vrouwen in Kelantan en Terrengganu verboden is bikini's te dragen (veel te bloot), dat ze in aparte ruimtes moeten eten, in aparte rijen voor een kassa dienen te staan, et cetera. Niets van waar.

Aan de oostkust van het Maleisische schiereiland staat het ene na het andere vakantiepark. Meestal op plekken waar in de buurt niets te doen is. Dus lig je samen met je kinderen de hele dag in het zwembad of de zee. Dat is kassa voor de eigenaar, want zijn gasten eten en drinken de hele dag bij hem. Wij legden toevallig aan in Merang, een ingeslapen dorpje dat drijft op de vele resorts in de buurt. Maar het had ook pakweg Marang kunnen zijn, Cherating of Kuala Rompin. Of nog zuidelijker: Tioman, een vrij groot eiland waar ongeveer hetzelfde te doen is als op de Perhentian. Alleen is alles op Tiomen net iets massaler, is de zee een tikkeltje minder azuur- blauw, het zand niet zo wit en is de branding en de geleidelijke diepte van de zee net iets minder ideaal voor kleine kinderen.

    • Robert Giebels