Leven als een vorst

Zijn voorouders leefden letterlijk als koningen, maar prins Georg Ypsilanti moet ploeteren voor de kost. Maar niet getreurd, de Weense prins blijft lachen.

Dit is het treurige verhaal van een Weense prins. In de jaren zeventig studeerde ik geschiedenis in Wenen – en voor dit vak had ik geen betere stad kunnen kiezen. Het historische Habsburgerrijk leek er nog in volle glorie aanwezig, enerzijds in de talrijke paleizen, het uiterlijk vertoon, de omgangsvormen (,,Küss die Hand, Frau Gräfin!'') en de zwierige bals, anderzijds in de hiërarchische structuren en de ontzaglijke bureaucratie, die stamde uit de tijd dat Wenen hoofdstad was van een veelvolkerenstaat (nu heet dit een multiculturele samenleving).

In de keizerstad ontmoette ik tal van mensen met achternamen uit de geschiedenisboeken: Liechtenstein, Schwarzenberg, Windisch-Graetz, Thurn und Taxis, Esterházy, ja, zelfs heuse Habsburgs. Zo bijzonder was dat niet, want het wemelt daar van de prinsen en prinsessen. Met één daarvan, Georg Ypsilanti, telg uit een illustere Griekse familie, raakte ik goed bevriend. Zijn voorouders waren hospodar (vorst) van Walachije en Moldavië, twee Donauvorstendommen die vroeger tot het Turkse rijk behoorden. Een nog altijd bekende historische figuur is Georgs voorvader Alexander Ypsilanti. Tijdens het beroemde Weense Congres, 1813-1815, glansde deze eenarmige vorst (zijn linkerarm had hij op het slagveld verloren) niet alleen als salonheld, ook sprak hij er voortdurend over zijn droom om Griekenland van de Turken te bevrijden. In januari 1821 voegde hij de daad bij het woord en nam hij de leiding bij een opstand van de Grieken. Maar helaas, een half jaar later werd hij verpletterend verslagen door de Turken. De vrijheidsstrijder werd gevangengezet en overleed, pas 36 jaar oud, in 1828 te Wenen.

De familie Ypsilanti bleef in Oostenrijk, waar zij onder meer het middeleeuwse kasteel Rappoltenkirchen bewoonde. Ook prins Georg, in 1950 te Athene geboren, groeide hier op. Met een groep vrienden bezochten wij rond 1974 het familiekasteel. Het was een dramatisch bezoek. Want ach, wat een treurnis troffen wij aan. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het kasteel onteigend en door de Gestapo als archief gebruikt. Daarom werd het slot in 1945 aangevallen: het dak kapotgeschoten, het interieur geplunderd.

Omdat Georgs vader geen geld had voor het noodzakelijke herstel, bewoonde hij sedertdien met zijn gezin een bijgebouw. Het kasteel bleef onaangeroerd – en zo zagen wij het bijna dertig jaar later. Het bleek een spookslot dat in een surrealistische film niet zou misstaan. We zagen doorgezakte stoelen, halfvergane kasten, doorboorde familieportretten, bevuilde parketvloeren (de bevrijders hadden uit vreugde overal hun behoefte gedaan), en rafelige gordijnen die zachtjes opbolden door de wind vanuit het gedeeltelijk open dak. Wij waadden door spinnenwebben, rondgestrooide boeken, lege drankflessen en verscheurde documenten. Georg bleef er vrolijk onder: hij was niet anders gewend.

In die jaren voltooide hij een opleiding tot `Zuckerbäcker'. Maar dit vak beviel hem niet, want ook hij had een droom: kunstenaar worden. Dus vestigde hij zich in 1991 in Wenen pal naast het beroemde Hundertwasserhaus als kunstschilder en beeldhouwer. Het familiekasteel Rappoltenkirchen was het jaar tevoren verkocht – voordat het totaal ineenstortte.

En nu ploetert Georg, die zich sinds de dood van zijn vader en zijn oudere broer Fürst Ypsilanti mag noemen, moedig voort. Want het kunstenaarsleven valt bepaald niet mee. Weliswaar exposeert hij hier en daar, maar hij verkoopt (te) weinig. Toen ik hem kortgeleden sprak, toonde hij zijn gebruikelijke hoopvolle geestdrift: een tentoonstelling in Nederland, dát wordt zeker een succes! Wie weet een geschikte locatie?

    • Reinildis van Ditzhuyzen