Kind is geen speeltje

Het advies van de Gezondheidsraad heeft een belangrijke discussie losgemaakt over onverantwoord ouderschap. Aanzet tot die discussie gaf Mariël Croon met het artikel `Het recht van verstandelijk gehandicapten op kinderen' (Z, 7 december). Reacties werden in het eerstvolgende Zaterdags Bijvoegsel afgedrukt.

In het Zaterdags Bijvoegsel van 21 december verschenen nog twee brieven, waaronder de reactie van de secretaris van de Gezondheidsraad, A. Bood. Hij stelt terecht dat mensen met een verstandelijke beperking in beginsel dezelfde rechten en plichten hebben als ieder ander. Wat de Gezondheidsraad naar mijn mening evenwel onvoldoende heeft meegewogen, zijn de zorg- en opvoedingsplicht van ouders in artikel 1:247 Burgerlijk Wetboek en de grondrechten van kinderen,met inbegrip van daaraan verknoopte plichten van aanstaande opvoeders en de prenatale voorafschaduwing van de grondrechten van het kind.

De zorg- en opvoedingsplicht van ons Burgerlijk Wetboek omvat ,,de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn van het kind en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid''.

Dit is een zeer zware lichamelijke en geestelijke zorgverplichting, welke mede omvat zwaarwegende affectieve, ontwikkelingspsychologische en pedagogische plichten. Ook voor tal van niet verstandelijk gehandicapten zijn deze plichten op de keper beschouwd te zwaar óók als er een sociaal netwerk rond het gezin is, en zelfs als voldoende geschikte professionele hulp klaar zou staan.

Als één ding duidelijk is, dan is het wel dat tegenover die zeer zware door de wetgever opgelegde plichten in Nederland volstrekt onvoldoende aanspraken van opvoeders staan op allerlei vormen van opvoedingsfacilitering, ouderschapsondersteuning en praktische, financiële en andere hulp.

Wat de grondrechten van kinderen betreft, is het teleurstellend te moeten constateren dat daar bijna acht jaar nadat Nederland zich verbonden heeft aan het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind nog zo gemakkelijk aan kan worden voorbijgegaan. Uit het verdrag kunnen zowel basale opvoedingsrechten van kinderen, waaronder het recht op een opvoeding zonder geweld, vernedering, misbruik, uitbuiting en verwaarlozing, als ook aanspraken van opvoeders op opvoedingsfacilitering, ondersteuning en hulp worden afgeleid. Daar staan verplichtingen van de overheid tegenover om eindelijk eens te zorgen voor een sluitend en geïntegreerd stelsel van opvoedingsfacilitering, jeugdzorg en jeugdbescherming.

In het licht van diverse bepalingen van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind kunnen de grondrechten van kinderen en de daarmee samenhangende aanspraken van opvoeders en verplichtingen van de overheid als volgt worden samengevat:

1. Elk kind dat zich in Nederland bevindt heeft recht op eerbiediging en bescherming van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit, op de geborgenheid, leiding en begeleiding van volwassenen, bij voorkeur de eigen ouders, en op adequate zorg voor een optimale ontwikkeling van zijn of haar persoonlijkheid en uitgroei naar zelfstandig democratisch burgerschap.

2. Ter waarborging en bevordering van de onder 1 genoemde rechten draagt de overheid zorg voor een sluitend en geïntegreerd stelsel van opvoedingsfacilitering, jeugdzorg en pleeg- en adoptiezorg en jeugdbescherming.

3. De wet stelt regels omtrent de aanspraken van opvoeders op financiële en overige ondersteuning en hulp bij de opvoeding alsmede omtrent de bevoegdheden en verplichtingen van de overheid ter zake van de voorkoming van onnodig leed en vermijdbare schade aan de ontwikkeling van het kind.

Het derde punt eist actie van de wetgever om zowel de ondersteuningsaanspraken van opvoeders als de zorgvuldige regeling van gedwongen anticonceptie en andere vormen van pre- en postnatale kinderbescherming serieus ter hand te nemen. Mijn voorstel zou zijn bovenstaande drie punten op te nemen in een in te lassen artikel 11bis of 22bis van de Grondwet. Mijn voorstel zou bovenal zijn op grond van deze drie punten het maatschappelijk debat voort te zetten en als regering en parlement daarbij het voortouw te nemen.

    • Prof.Mr. J.C.M. Willems