Hollands Dagboek: Louis Bohte

Louis Bohte (56) is monnik. Hij verblijft tijdelijk bij zijn broeders, de franciscanen, in Bethlehem. Bohte is voorzitter van de Franciscaanse Vredeswacht, die vandaag in Den Haag een wake houdt `voor het decennium van een cultuur van vrede en geweldloosheid voor de kinderen van de wereld'.

Dinsdag 24 december

De dag van de intocht van de Latijnse patriarch van Jeruzalem, zijne zaligheid (dit is de officiële titel) Sabbah, tevens internationaal voorzitter van Pax Christi en van Palestijnse afkomst. Om kwart over een verzamelen alle broeders zich om een superplie aan te trekken. Vervolgens gaan we met zijn allen, zo'n honderd broeders, naar het Kribbeplein om ons op te stellen. Bij de aankomst van de patriarch is niets te zien van de eindeloze stoet muziekkorpsen, doedelzakspelers en padvinders die andere jaren de intocht een feestelijke karakter gaven. Dit is een gevolg van het uitgaansverbod dat sinds 22 november van kracht is. Als gebruikelijk lopen wel drie mannen in traditionele Turkse kleding voorop, compleet met kromzwaard.

Enkele vredesorganisaties houden voorafgaand aan de komst van de patriarch in de openlucht een gebedsdienst, waarbij het geboorteverhaal van Jezus in het Arabisch voorgelezen wordt volgens de koran en volgens de bijbel. Het is een goede actie.

De plechtigheid 's nachts begint om kwart over elf en duurt tot kwart voor twee. De preek van de patriarch is in het Arabisch en Frans en loopt uit op de huidige situatie.

Woensdag

's Morgens om negen uur is er weer een plechtige kerstviering, geleid door de patriarch. Dit keer duurt de viering slechts anderhalf uur.

In Beit Sahour, dat tegen Bethlehem aan ligt, begint om half vijf een lichtprocessie met fakkels. Het is een feestelijk gebeuren met kerstmuziek, waar ook voor de kinderen veel aandacht is. Zij dragen een aantal spandoeken met teksten als ,,Bethlehem is op deze kerstdag bedroefd'' en ,,Uitgaansverbod maakt van Bethlehem een gevangenis''.

's Avonds hoor ik dat premier Sharon de patriarch, de custos (het hoofd van de franciscanen in het Heilige Land) en de nuntius gebeld heeft om hen een goed kerstfeest te wensen.

Donderdag

Een dag om liturgisch op adem te komen. Ik bezoek 's middags een paar families die ik ken. De eerste familie ken ik vrij goed, ik kom er geregeld. Ik tref alleen de vader en twee zoons aan: Imad en Amr. Ik hoor meteen een probleem: de gasfles is leeg, zodat er niet gekookt kan worden of thee gezet. In de hele stad is al een week geen gasfles meer te krijgen.

Ik heb met vader en zoon een boeiend gesprek over de huidige situatie. De zoon, Imad, vindt dat voor vrede een sociale verandering nodig is. De politiek is volgens hem een weerspiegeling van de sociale verhoudingen. Wil je de politiek veranderen, dan moet je dus beginnen met sociale veranderingen. Dat is zowel in Israël als in Palestina nodig.

Het is kwart voor zes en geheel donker als ik naar huis ga. Ik zie bijna geen mens op straat. Bethlehem lijkt uitgestorven. Er geldt weer uitgaansverbod. Ik zie ook geen soldaten. De volgende morgen hoor ik dat soldaten op het Kribbeplein geschoten hebben en traangas gebruikt hebben om met name de kinderen naar huis te jagen. Dit is kennelijk de tactiek die toegepast wordt: de mensen zo bang maken, dat zij niet meer naar buiten durven te gaan, zoals in het begin wel gebeurde. Dan zijn verder geen of weinig soldaten nodig om het uitgaansverbod te handhaven.

Vrijdag

Buiten zie ik dat er kleine vrachtwagens met gasflessen rondrijden. De mensen kunnen weer koken en hun huis verwarmen. Ik heb om tien uur een afspraak met Ibrahim Issa, een Palestijn die nu verbonden is aan The Hope Flowers, een school die gericht is op samenwerking met Israëlische docenten. Hij had de pech om een appartement aan een Palestijn te verhuren, die door Israël gezocht werd. Vorige week (17 december) werd hij daarom gearresteerd en gevangen gezet. Er werd een begin gemaakt met de sloop van het appartement en van zijn woning. Zijn zus kon op tijd Amerikaanse druk mobiliseren om de sloop te voorkomen. De vier dagen verblijf in de gevangenis gaven hem een beeld hoe het er daar aan toe gaat. Hij zat vast in een cel van drie bij vier meter met nog vijf mannen. Het was niet altijd toegestaan naar de wc te gaan. Per gevangene was per dag 2,5 sigaret als rantsoen beschikbaar. Hij komt in gesprek met een soldaat, die in zijn burgerbestaan arts is. De man wil verder met hem praten, maar Ibrahim wil eerst dat zijn blinddoek afgedaan wordt. Zo gebeurt. Vervolgens vraagt hij de man de situatie eens als arts te bekijken en niet als soldaat. ,,Zal een bewoner van het Dheishakamp (een vluchtelingenkamp aan de rand van Bethlehem, waar zijn vader vandaan kwam) jou een bloem geven?'' vraagt hij. De arts moet bekennen, dat dit niet het geval zal zijn. Zo brengt hij deze Israëliër er stap voor stap toe de situatie door de ogen van Palestijnen te bekijken.

Ibrahim brengt mij naar het Al Azzakamp. Daar woont een gezin waar ik vaker kom. Daar is een jongeman van nog geen twintig op bezoek met wie ik een hele discussie voer over de situatie. Hij ziet niet hoe er vrede kan komen. Hij zegt dat als één Israëliër gedood wordt, de hele wereld reageert. Maar als duizend Palestijnen gedood worden, reageert niemand. Ik zeg het belangrijk te vinden om je waardigheid en zelfrespect te bewaren. Hier kan hij niet zoveel mee. De Israëliërs schieten je toch dood, als je niet doet wat zij zeggen. Hij vertelt dat op 9 maart een nicht van hem door een sluipschutter is doodgeschoten. Ik vertel van de andere doden, van wie ik weet dat zij tijdens deze intifada omgekomen zijn. Wij mogen hen niet vergeten, zeg ik. Hij zegt dan: wij kunnen hen niet vergeten. En dan zijn wij een tijdje stil. Ik snap nu ook waarom hij argumenteerde zoals hij deed.

Zaterdag

Van oudsher is het de dag van de onnozele of liever onschuldige kinderen. Dit drama van de kindermoord gebeurde in Bethlehem en wordt jaarlijks herdacht. 's Middags is er in het vredescentrum een festijn voor de kinderen. Honderden komen er op af en als zij naar binnen mogen, is het een gedrang van jewelste. Later spreek ik nog Imad. Ik hoor van hem dat Israëlische soldaten rond twaalf uur bij de universiteit verschijnen en traangas gebruiken. Het is rond één uur druk op straat met studenten en scholieren, die naar school of college gegaan zijn. `Vakantie' hebben zij gehad tijdens het uitgaansverbod. Als ik om kwart voor zeven naar huis ga, is het overal rustig. Er zijn nog winkels open en gewoon mensen op straat.

Zondag

Ik doe het vandaag rustig aan. Om drie uur is er een plechtige viering voor de parochie op het Schaapherdersveld. Voordat we vertrekken, zien we twee luchtschepen. Onduidelijk is wat de bedoeling hiervan is. Mijn eerste gedachte gaat uit naar een controlefunctie. Als ik terug ben, ga ik nog een ommetje maken, de stad in. Ik kom een jongeman tegen die mij uitnodigt bij hem thuis. Ik heb hem al vaker ontmoet en gesproken. Ik kom hier twee jongens van zo'n 11 en 12 jaar tegen, die ik van het Kribbeplein ken, vragend om een shekel, soms pogend een pakje kauwgom te verkopen of ansichtkaarten van Bethlehem. Zij zijn duidelijk verrast door mijn binnenkomst. Ik zie nu ook genoeg om hun bedelen te begrijpen. Het is een gezin met acht zoons en vier dochters en ik heb het idee dat er niet iedere dag brood op de plank is. Wat ik van de woning zie, is een kamer van vier bij vier meter. Ik krijg thee aangeboden. Daarna maak ik met de jongeman nog een wandeling door de stad.

Maandag

Op internet lees ik dat de Hoge Raad van Israël de Israëliërs die weigeren in de bezette gebieden dienst te doen, in het ongelijk heeft gesteld. Voor mij een reden om mijn vrienden aan Israëlische kant die zich voor deze weigeraars inzetten, 's avonds op te bellen. Ik krijg Marion aan de lijn, die teleurgesteld is. Zij vertelt mij hoe somber de stemming is over de komende verkiezingen. De mensen zijn de hele toestand moe. Degenen die vroeger nog oog hadden voor hoe het aan de andere kant was, kunnen zich hier niet meer toe zetten. Hun zorg is dat hun kind, die met de bus naar school moet, weer veilig thuiskomt. Mensen willen op de eerste plaats erkend worden in hun gevoel van angst en onzekerheid. Dit speelt aan beide kanten. Marion beaamde ook hoe belangrijk het is dat er weer direct contact tussen de mensen van beide kanten gelegd wordt. Onbekend maakt onbemind. Hoe de angst door de Palestijnse samenleving heentrekt, merkte ik toen het uitgaansverbod voor de derde keer werd opgeheven. Ik liep al het Geboorteplein op, toen de Israëlische soldaten nog bezig waren zich terug te trekken. Veel mensen wachtten hierop. Ik wenste de soldaten shalom en met één van hen maakte ik een kort praatje en toen reden zij weg. Toen kwam er een kind van hooguit drie jaar naar mij toe gerend en stak zijn handen uit om opgetild te worden. Ik tilde het jongetje op en hij drukte zich tegen mij aan. Achteraf begrijp ik het: het kind had gemerkt dat de mensen vanwege de soldaten nog niet het plein op durfden te gaan. Het jongetje begreep kennelijk dat ik niet bang was voor de soldaten en zocht daarom bij mij veiligheid.

In een gesprek met Imad merkte ik een irritatie over de aandacht die Bethlehem krijgt vanwege het westerse, christelijke kerstfeest. Hij moet morgen tijdens de mars een kerstboodschap voorlezen, die via Pax Christi Internationaal was binnengekomen. Er wordt geen aandacht geschonken aan het voor de moslims vergelijkbare suikerfeest aan het begin van deze maand. Toen verhinderden Israëlische soldaten dat moslims naar de moskee konden gaan. Verder moet het orthodoxe kerstfeest nog plaatsvinden (7 januari). Ik moet constateren dat de gouverneur van Bethlehem, een moslim, een bredere kijk heeft. Op 4 december deed hij een gelukwens uitgaan bij gelegenheid van het suikerfeest, het komende kerstfeest en het joodse Chanouka of lichtfeest. Mijn collega van gereformeerden huize bij Bijzonder Jeugdwerk, waar ik een aantal jaren werkte, zou van christendommelijk imperialisme spreken.

Dinsdag 31 december

De laatste dag van een voor mij bewogen jaar. Ik verloor mijn lieve zus Marian en mijn goede vriend Martijn.

Vanmiddag vindt net als vorig jaar de mars plaats om te bereiken dat de bezetting wordt opgeheven en iedereen weer in de heilige plaatsen kan bidden.

Om drie uur zou de stoet richting checkpoint vertrekken, maar eerst was het wachten op de komst van de verschillende patriarchen, de sheiks en andere religieuze leiders. Deze kwamen even na half vier aan, tegelijk met drie bussen Italiaanse toeristen die ook aan de mars zouden meedoen. Spoedig konden wij vertrekken. De religieuze leiders voorop, met in het midden patriarch Sabbah geflankeerd door de gouverneur en burgemeester van Bethlehem. Ik schat dat er ongeveer vijfhonderd mensen meedoen. Anderen schatten dat het er meer zijn. Aan het begin voel ik een geladen spanning, die dan wegebt. Het zingen van een vredeslied helpt hierbij. Wij komen niet ver. Al bij de splitsing van de weg vlak na het Paradise-hotel worden wij tegengehouden. Dan volgen er onderhandelingen met de kerkelijke leiders. Eerst met een jonge snuiter van in de twintig. Dan komt een man van in de veertig erbij, die de christelijke leiders hartelijk begroet. Wij komen overeen dat de mars mag doorgaan tot bij het Caritas-ziekenhuis. Daar bidden wij. Vervolgens lopen wij terug.

Een deel van de avond is verder vrij. Ik gebruik deze gelegenheid om naar de familie van Imad te gaan. Als ik de trappen naar de oude binnenstad ben opgelopen, zie ik jongelui rennen en hoor ik sirenes. Ik vermoed dat het de jeeps van het Israëlische leger zijn, die een uitgaansverbod instellen. Dit blijkt later te kloppen. Een Israëlisch antwoord op de mars? Ik loop door.

Om half twaalf verzamelen wij ons in de kapel voor een gebed ter afsluiting van het jaar en even voor twaalf uur zijn wij terug in de recreatiekamer van de broeders in opleiding. Daar wensen wij elkaar het beste voor het nieuwe jaar, drinken en snoepen wat en kijken we naar een politiefilm. Even na één uur bel ik met enkele familieleden, onder wie mijn moeder, met de beste wensen voor het komende jaar. Dan ga ik naar bed.