HEEL DE SCHEPPING OP EEN SCHOOLBORD

Een briljant stel hersens, een schoolbord en een krijtje.

Dat is het gereedschap waarmee de snaartheoretici van Princeton het wereldraadsel proberen op te lossen.

Op zoek naar de 'Theory of Everything' proberen zij de quantumtheorie te verzoenen met Einsteins relativiteitstheorie.

De grote dwarsligger is de zwaartekracht.

Het heeft even geduurd voor Ed Witten, een lange magere man met een vlijmscherp verstand die in brede kring de naam heeft de nieuwe Einstein te zijn, zijn stek in de theoretische natuurkunde gevonden had. Geboren in Baltimore, wist hij begin jaren '70 zijn talent nauwelijks richting te geven. Op college deed hij een major in geschiedenis en een minor in taalkunde. Een studie economie aan de Universiteit van Wisconsin brak hij na een semester af om zich aan te sluiten bij het campagneteam dat George McGovern in 1972 naar het Amerikaanse presidentschap moest loodsen (Nixon won). Hij publiceerde in The Nation en The Republic maar merkte al snel dat ook politiek niets voor hem was. Daarna koos hij voor wiskunde in Princeton en toen ook dat niet beviel, werd het eindelijk natuurkunde. Ed was thuis.

Witten is sinds 1987 hoogleraar op het Institute for Advanced Study, even buiten Princeton. Hij heeft er een hoekkamer vol licht op de eerste verdieping van de Bloomberg Hall, waar de natuurkunde en astrofysica zetelen. Okergele kurktegels, Perzisch tapijt, grenen kasten, op een plank kiekjes van zijn gezin, een opgeruimd bureau en - opmerkelijk - een leeg schoolbord. Met zijn trui in warme herfstkleuren, zwarte broek en verzorgde krullen is hij in het wereldje van theoretisch fysici een nette verschijning. Zijn fiere houding dwingt respect af. Witten is een klasse apart, de breedte en diepgang van zijn wetenschappelijke productie zijn legendarisch. Studenten, promovendi en postdocs draaien tijdens seminars in een rituele dans om hem heen, zoekend naar een geschikt moment om hem aan te spreken, en ook naaste collega's bekennen dat ze hem met een zekere eerbied bejegenen.

Witten staat onder druk, er moeten artikelen af waaraan ook collega's meedoen. Vaak werkt hij in zijn eentje. 'Dat is mijn aard', zegt hij. 'Eenzaamheid is mij niet vreemd.' Zijn ideaal: het formuleren van een 'theorie van alles', een overkoepelende beschrijving van de basiskrachten in de natuur, van de wisselwerkingen in een atoomkern tot de zwaartekracht die de sterrenstelsels bijeenhoudt. Zo'n theorie van alles moet een verzoening tot stand brengen tussen de twee mastodonten van de twintigste-eeuwse theoretische fysica: de relativiteitstheorie en de quantumtheorie.

Het pad naar die theorie van alles - als die al bestaat - is zwaar. Fysici worstelen voort, met vallen en opstaan. De taal die ze hanteren, de wiskunde, is hondsmoeilijk en daar komt bij dat er vooralsnog geen experimenten mogelijk zijn die de weg kunnen wijzen. 'Kleine stapjes zetten, daar gaat het om', zegt Witten. 'Wie roekeloos denkt komt nergens. Het is maar één of twee keer gebeurd dat ik achteraf dacht: met een beetje meer zelfvertrouwen had ik een grotere sprong kunnen wagen.'

'Denkt u wel eens niet aan natuurkunde?', vraag ik.

'Ook in je vrije tijd moet je ermee bezig zijn', zegt Witten met monotone, ijle stem. 'Niet dat je altijd 's avonds achter je bureau kruipt, maar als natuurkunde niet permanent in je hoofd woelt, kom je niet ver. Wie in het weekend de zaak laat sloffen, is maandagmorgen koud.'

'Wat is het geheim van het vak?'

'Het stellen van de juiste vragen. Als die niet deugen loop je vast, al ben je wiskundig nog zo onderlegd.'

'Heeft het nadelen intelligent te zijn?'

De vraag brengt Witten van zijn stuk. Hij beweegt onrustig, weet zich geen raad, zoekt naar woorden maar slikt ze in en laat een van zijn befaamde stiltes vallen. Een minuut lang kijkt hij strak voor zich uit, dan een verlegen kort knikje. 'Ik wou dat ik in mijn jonge jaren harder gewerkt had', zegt hij, om van onderwerp te veranderen. 'Dan had ik meer bereikt.'

Kolossaal verstand

Het Institute for Advanced Study ligt aan de zuidkant van de stad, verscholen in het groen. Het is in 1933 opgericht door de filantroop Louis Bamberger, eigenaar van een textielwarenhuis in Newark, en de onderwijsexpert Abraham Flexner. Het idee was grote geesten als de fysicus Albert Einstein, de logicus Kurt Gödel en de kunsthistoricus Erwin Panofsky de kans te bieden zich volledig aan hun onderzoek te wijden. Geen studenten, geen colleges, geen laboratoria mochten de concentratie verstoren - een rusthuis voor geleerden, uitgezocht op hun kolossale verstand. Volgens natuurkundige Richard Feynman, die begin jaren veertig in Princeton zat, was dat uitgangspunt een ramp. Zonder lastige studenten en promovendi was het de dood in de pot, vond hij. Ideeën ontstaan niet in afzondering maar door te 'kaatsen' met collega's. Feynman had gelijk. Inmiddels telt het instituut naast een bescheiden staf van permanente hoogleraren een legertje postdocs en andere tijdelijke gasten.

Van hotel Nassau Inn, ooit een pleisterplaats op de route New York-Philadelphia, naar het Instituut is dik een half uur lopen. De herfst is op zijn mooist, ik waad door de bladeren. Bij het Theologisch Seminarium aan Mercer Street blazen mannen met blowers de paden schoon, eekhoorns schieten weg. Ik passeer nummer 112, zoals zoveel huizen in New Jersey van gepotdekseld hout. In dit knusse optrekje woonde Einstein - nog steeds komt er post voor hem, evenals op het Instituut. Ook Einstein brak zich het hoofd over een theorie van alles, uit een diepgeworteld geloof dat in de natuur uiteindelijk de eenvoud regeert. Maar zijn pogingen waren tot mislukken gedoemd, omdat veel over de fundamentele basiskrachten toen nog in nevelen gehuld was. De tijd was nog niet rijp.

Een halve eeuw later staan Witten en zijn collega's er beter voor. Zij werken niet met deeltjes maar met snaren, een soort minuscule 'elastiekjes' die trillen en die zo klein zijn dat geen microscoop ze ooit in beeld zal brengen. Die snaren bevolken een esoterische wereld van elf dimensies, waarvan wij gewone stervelingen er maar vier kunnen waarnemen: drie voor de ruimte (lengte, breedte, hoogte), één voor de tijd. De overige dimensies zijn tot minuscuul formaat opgerold (zie het kader op pagina 46). De snaartheorie is in de jaren '60 door Gabriele Veneziano bedacht met het doel om eigenschappen van elementaire deeltjes (quarks) weer te geven - pas later bleek het een kandidaat voor de theorie van alles.

In 1984 en 1995 maakte de snaartheorie een sprong voorwaarts en hoewel de theorie lang niet af is en het onderliggende principe nog ontbreekt, is er de laatste jaren forse vooruitgang geboekt. Zelfs scepticus Gerard 't Hooft, Nobelprijswinnaar in 1999 en een expert op het gebied van elementaire deeltjes en zwarte gaten, lijkt door het succes aangestoken, al benadrukt hij dat van een ordentelijke theorie nog lang geen sprake is.

Aan het eind van Mercer Street sla ik linkaf, de stille Olden Lane in. Het laatste stuk naar het Instituut voert door bos. Het wemelt er van de herten, ieder jaar rukt een groepje professionele boogschutters uit om de wildstand op peil te houden - Instituutsleden ontvangen tijdig een memo. Bij de Einstein Drive, een ringweg om een enorme lap gras, speelt een groepje postdocs een potje voetbal. Ze wonen vlakbij, in appartementen die door de architect Marcel Breuer zijn ontworpen. Ik loop langs het hoofdgebouw van rode baksteen en stap Bloomberg Hall binnen. Overal tapijt. In de Physics Library, voorname geleerdheid onder een zadeldak, zak ik in een van de comfortabele fauteuils en proef de sfeer. Verpletterende stilte. Mijn ogen dwalen langs kasten vol blauwe, rode en groene banden. Tijdschriften uit de vorige eeuw, prehistorie, niemand die ze raadpleegt. Straks begint mijn eerste snaren-seminar. Wie zijn die geleerden die in Princeton, sinds de vroege jaren '80

een bolwerk van de snaartheorie, de Theory of Everything najagen? Hoe pakken ze het aan? Hoe gaan ze met elkaar om?

Briljante benjamin

'Inflation Theory II', luidt de titel van het college dat wordt verzorgd door Juan Maldacena. Met zijn 34 jaar is hij de benjamin van de permanente staf. De Astrophysics Library is volgestroomd met dertig toehoorders, voor de helft van Princeton University. Inflatie is een sleutelbegrip uit de kosmologie. Het slaat op de kortstondige fase direct na de Oerknal waarin het heelal bliksemsnel uitdijde. De snaartheorie weet hierover sinds kort zinnige uitspraken te doen.

Anderhalf uur heeft Maldacena om zijn laatste inzichten over te brengen. De Argentijn, klein van stuk en even briljant als verlegen, wist in 1997 een verband te leggen tussen 'supersnaren' en 'superzwaartekracht' - wat meer inventiviteit in de nomenclatuur zou geen kwaad kunnen. Voor die spectaculaire prestatie werd hij op de conferentie Strings '98 in Santa Barbara door honderden danslustige collega's geëerd met een aangepaste versie van de Macarena.

Terwijl Maldacena een krijtje pakt en in zangerig Engels van wal steekt, zoeken laatkomers onopvallend een plaatsje. Er staan drie rijen stoelen, met daaromheen losse fauteuils. De eerste ring maakt geen aantekeningen, de tweede wel. Maldacena schrijft het bord keurig vol, soms moet hij door de knieën. Het gaat vandaag over fluctuaties in een Anti-De Sitterruimte, genoemd naar de Leidse astronoom Willem de Sitter die in 1917 Einsteins relativiteitstheorie op een leeg heelal toepaste. 'Het zou prachtig zijn als we deze effecten met satellieten konden meten', zegt Maldacena als zijn heelal op het bord staat, om er spijtig aan toe te voegen dat de eerstkomende generatie satellieten nog net niet geavanceerd genoeg is. IJkinvarianties, metriek, tensoren, kromming, eeuwige inflatie: het duizelt me.

Een kwartier na aanvang verschijnt Ed Witten in de deuropening. Nauwgezet monstert hij de zaal. In tegenstelling tot andere laatkomers voelt hij geen drang stilletjes naar binnen te glippen: hij posteert zich pontificaal tegen de muur. Toehoorders die eerdere laatkomers negeerden, haasten zich om Witten op een lege fauteuil te wijzen - direct achter de mijne. De meester zucht en steunt, zijn hersenen in de turbostand om in sneltreinvaart bij Maldacena's verhaal aan te sluiten. Witten heeft een röntgenoog, heet het, hij ziet direct hoe ver een theorie reikt. Na een minuut is hij klaar met denken. Met een stem waarin autoriteit doorklinkt plaatst Witten een opmerking: 'I cannot visualise the commutator to go to zero.' Maldacena, niet onder de indruk, geeft antwoord. Witten aarzelt. 'May be', mompelt hij. De titanen kijken elkaar strak aan, de koning van 51 en de troonpretendent van 34. Maar Witten is nog lang niet aan het eind van zijn Latijn.

Bezaaid met diamanten

Princeton University, niet te verwarren met het Institute for Advanced Study, is een park vol geleerdheid, ingeklemd tussen Nassau Street en Faculty Road. De universiteit telt ruim 6.500 studenten en behoort tot de rijkste van het land. Pittoreske lantaarns op de campus doen dienst als aanplakzuilen en wijzen op een rijk geschakeerd cultureel leven. Theoretische natuurkunde zit in Jadwin Hall, naast het Football-stadion. Een adequaat maar kleurloos gebouw uit 1968, met ruime kamers voor de hoogleraren, linoleum in plaats van tapijt en op de morsige bovenverdieping werkkamers voor studenten en promovendi. Bijna alle deuren staan open, er is veel meer rumoer dan op het Instituut. Jaarlijks stromen ruim twintig studenten de graduate school binnen, van wie de helft uit het buitenland komt. Een half dozijn kiest snaartheorie. Begeleiding te over: twee studenten per hoogleraar.

'We zijn geen gevangenen van het verleden', zegt Curtis Callan, tot vorig jaar hoofd van de afdeling. 'We houden geen vakgebieden in leven maar stellen de beste mensen aan. Zij bepalen de richting. In ons vak is iedereen in staat in dertig seconden te beoordelen of een nieuwe ontwikkeling uitdagendere, betere fysica oplevert dan waar men tot dan toe mee bezig was. Zo ja, dan gaat het roer radicaal om. Ideeën die er veelbelovend uitzien zuigen als een magneet. Maar als de voortgang binnen de snaartheorie stagneert, als het maar niet lukt het achterliggende principe te vinden, dan zeggen de mensen na een tijdje: ik pak mijn biezen.'

Maar voorlopig ligt snarenland bezaaid met diamanten, vindt Callan. Probleem is alleen dat er wereldwijd minstens vijfhonderd fysici naar op zoek zijn. Dat geeft druk. 'Zodra je een idee krijgt kun je er vergif op innemen dat elders op aarde een collega met datzelfde idee rondloopt', zegt Callan. 'Ben je jong en moet je jezelf nog bewijzen, dan zit er weinig anders op dan als een speer aan de slag te gaan. Je wilt niet afgetroefd te worden. Tegelijk vinden ze het heerlijk er voluit tegenaan te gaan, om 24 uur per dag door te halen. Het is een hard bestaan, hun partners weten er alles van. Maar als je iets aardigs vindt, iets dat ertoe doet, dan is de voldoening enorm. Het is een cascade: intuïtief probeer je wat uit, je ontwikkelt losse gedachten, beseft in een flits dat er iets moois begraven ligt, je duikt in de wiskunde om de structuur te achterhalen, graaft het zaakje uit, je verwijdert vuil en modder, poetst het resultaat op en kijkt of het werkt. Fantastisch om dat een paar keer in je leven mee te maken.'

Krijtjesbord

Snaartheoretici zijn geen types die zeven jaar in een boshut op de 'theorie van alles' zitten te broeden, zoals de wiskundige Andrew Wiles deed om de beroemde laatste stelling van Fermat te bewijzen. Ideeën, zo is de gedachte, komen vooral tot stand tijdens het kaatsen met collega's. Het liefst voor een krijtjesbord - viltstiften zijn uit den boze. Om beurten schrijft men een flard van een formule op, of een stukje diagram. Uitvegen doe je pas als je het bord voor iets anders nodig hebt - vandaar mijn verbazing over het schone bord in de kamer van Witten. Dat geeft bovendien de mogelijkheid er later nog eens rustig naar te kijken. Angst dat iemand er met je idee vandoor gaat bestaat niet, daarvoor heb je een te grote voorsprong, voordat een ander het heeft uitgewerkt is je publicatie al lang en breed af. Wel komt het voor dat wetenschappers die een werkelijk baanbrekend idee hebben wachten tot ze zeker weten dat ze niet meer in te halen zijn.

Het eerste wat de snaartheoreticus 's morgens doet is de nieuwste preprints van wetenschappelijke artikelen van collega's bekijken. Die worden gepost op internet en zijn direct te raadplegen. Bij meerdere auteurs is de volgorde alfabetisch, wat getwist voorkomt. Dat elektronisch archief maakt publicaties in tijdschriften tot bijzaak - goed voor je cv, maar niemand die ze leest. 'Onze manier van werken is veel democratischer', zegt Nathan Seiberg, hoogleraar natuurkunde op het Instituut. 'Vroeger had je de situatie dat de een de preprints eerder kreeg dan de ander, sommigen van ons moesten zelfs wachten op de publicatie in het tijdschrift. Een verschil van maanden. Nu is iedereen direct op de hoogte. Het kwaliteitskeurmerk van de uitgever van tijdschriften - peer review - kunnen we best missen. Ook dan is driekwart crap. Vergelijk het met de houding van de kerk jegens de uitvinding van de boekdrukkunst. Als iedereen maar aan het drukken sloeg, hoe wist je dan nog wat waar was? Inderdaad, dat weet je niet, maar met dat gevaar valt prima te leven.'

Snaartheoretici komen in Princeton voortdurend bij elkaar over de vloer. Zowel Instituut als universiteit organiseert seminars die over en weer goed bezocht worden. Power point is een uitzondering, favoriet zijn transparanten op de overheadprojector. David Kaplan van de Universiteit van Washington (in Seattle) tovert aan het begin van de week in het sousterrain van Jadwin Hall fraaie handgeschreven kunstwerkjes tevoorschijn, in zoete kleuren en met versieringen die aan flower power herinneren. Tijdens de lezing vuren toehoorders aan een stuk door vragen af. Zoals de Chinees met een aanstelling voor vijf jaar op het Instuut die zich hevig kauwgom kauwend en met trillende benen oplaadt om er opeens een tegenwerping uit te knallen. Na afloop wordt voor het bord nagepraat, ook Maldacena pakt een krijtje. 's Avonds neemt de staf de gast uit Seattle uit eten. Snaren en small talk wisselen elkaar in hoog tempo af, met als uitsmijter Bill Gates-grappen - Kaplan zat bij hem op school.

Iedere snaarfysicus loopt rond met een steentje in zijn schoen: een probleem dat hij maar niet kraken kan en dat te belangrijk lijkt om zomaar te vergeten. Niet koppig zijn maar wegleggen, is de remedie, en hopen dat het kwartje later alsnog valt. Dat gebeurt vaak onverwacht: onder de douche, in bed, tijdens het joggen. Opeens zie je het, zomaar. Igor Klebanov, een goedmoedige Rus met een bol gezicht, dik haar en een ouderwets grote bril, kreeg zo'n taai probleem klein in een gerechtsgebouw. 'Ik moest me beschikbaar houden om zitting te nemen in een jury. Dat kwam bijzonder ongelegen, ik was juist iets moois op het spoor maar kreeg het niet rond. Twee dagen zat ik opgesloten in een saaie wachtkamer, afgesneden van mijn snaren. Tijdverspilling, vond ik. Toch drong juist daar het inzicht door. Dan zijn pen en papier voldoende. En het artikel mocht er zijn.'

Nederlandse tweeling

De Nederlandse inbreng in de snarengroep van Princeton komt voor rekening van een eeneiïge tweeling: Erik en Herman Verlinde. Erik heeft een baardje en is bedachtzamer, Herman heeft wat meer flair. Knap zijn ze allebei. Toen ze in 1985 in Utrecht afstudeerden, was snaartheorie hot. Een ideaal moment voor twee aanstormende fysici op zoek naar actie. Als promovendi van De Wit en 't Hooft zochten de Verlindes hun eigen weg. Herman: 'Wiskunde ligt ons en in de snaartheorie kom je dan goed aan je trekken. Overal om ons heen zagen we de slimste en de beste mensen er- mee aan de slag gaan. Daar wilden we bij zijn.'

Erik: 'Al snel kwamen we tot resultaten en begonnen we te publiceren. Ik herinner me nog goed hoe alles op zijn plaats begon te vallen. In bed kwam het beslissende idee ineens binnen, tot vier uur heb ik het uitgewerkt, de kiem van de Verlinde-formule. Die legt vast hoe snaren met elkaar wisselwerken en heeft ook buiten de snaartheorie toepassingen. Op internationale conferenties werden we uitgenodigd ons werk te presenteren. Dat stimuleerde enorm, maar in Utrecht gaf het hier en daar scheve gezichten, omdat onze reislust botste met onze onderwijstaken. In het vierde promotiejaar was zoiets geen probleem geweest maar toen waren we al klaar.'

De Verlindes konden terecht in Princeton, op snarengebied the place to be - inmiddels hebben ook Harvard en Stanford uitstekende groepen. Erik werd postdoc op het Instituut, Herman kreeg een aanstelling op de universiteit. Na een intermezzo in Nederland (Herman in Amsterdam, Erik in Utrecht) werd de tweeling in 1998 hoogleraar aan Princeton University. Herman voelt zich in Amerika als een vis in het water, Erik sluit niet uit dat hij vanwege zijn gezin naar het vaderland terugkeert. Hun samenwerking verloopt heel direct. Herman: 'Ook in tijden dat we niet samen aan iets werken en als collega's met elkaar omgaan, is er tussen ons iets extra's. Je voelt elkaar gewoon goed aan.'

Waarom snaren? Erik hecht aan het fundamentele karakter van de theorie, Herman voelt zich aangetrokken tot de wiskunde, als middel, niet als doel. Herman: 'Natuurkunde is een spannende combinatie van mooie wiskunde bedrijven én vragen stellen aan de natuur. Nu is het een lange weg om de snaarheorie vast te knopen aan wat je ziet, maar in de kosmologie en bij zwarte gaten gaat het aardig die kant op. De kunst die je wilt beheersen is het omzetten van fysische ideeën in wiskunde. Het bouwwerk van de snaartheorie biedt daartoe alle kans. Pas als er een wiskundige formulering op tafel ligt, kun je spreken van een resultaat. Anders is het maar een idee. Een berekening is mij al snel te omvangrijk, een kwestie van stijl. Ik ga er niet gelijk van a tot z doorheen maar begin schetsmatig. Het is een iteratief proces, het gaat in een aantal stappen. Ik omsingel het probleem en zodra me dat gelukt is, weet ik dat er iets zit. Soms gaat het dan toch nog mis. Een maand denk je: jongens, ik heb het in de tas, en dan ontglipt het je toch nog. Vroeger had ik daar een week de pest over in, inmiddels ben ik door de wol geverfd en is die kater na twee dagen over.'

De Verlindes houden van risico. Herman: 'Het is een deel van de lol, Erik en ik staan erom bekend. Gedurfd opereren, geen houvast hebben, je op volstrekt onbekend terrein wagen, kan tot iets moois leiden, maar voor hetzelfde geld loop je vast. Dat kan af en toe geen kwaad. Studenten moeten waaghalzerij niet uit de weg gaan, zich niet laten ontmoedigen als een project na een paar maanden niks heeft opgeleverd. Integendeel, heb het lef een maand later weer iets opzij te gooien! Waarna blijkt dat die twee halve projecten in elkaar passen, een geheel vormen. Durf te zwemmen. Weggegooide tijd kan heel nuttig zijn.'

Het snarenwereldje is een hechte familie, vindt Herman. 'We vormen een team, we zijn er niet op uit om elkaar beentje te lichten. Als iemand iets moois presteert, genieten we daar allemaal van. In andere gebieden van de fysica is het vaak zo dat een resultaat uit kamp A in een Pavlovreactie direct vanuit kamp B onder vuur komt te liggen. Die eeuwige verwijten aan snaartheoretici dat experimentele ondersteuning volstrekt ontbreekt, ergeren me. Alsof we dat niet wisten! Je bent in dialoog met de natuur, en dat reikt verder dan alleen maar het experiment.'

Erik: 'Midden jaren '80, toen wij begonnen, riepen snaartheoretici van de daken dat de 'theorie van alles' voor het grijpen lag. Dat konden ze dus niet waarmaken. Sinds 1995, het jaar van de tweede snaarrevolutie, ligt dat anders. Sommige delen van de snaartheorie, het meest complexe bouwwerk dat de mens heeft voortgebracht, staan als een huis. Je weet dat die experimentele test nodig is, dat is natuurkunde. Maar de situatie is minder hopeloos dan een aantal jaren geleden. Het heelal is gevuld met kosmische achtergrondstraling, een relict van de Oerknal en dus van belang voor de snaartheorie. Wellicht dat metingen van die achtergrondstraling binnen afzienbare tijd scheidsrechter kunnen spelen.'

Is snaartheorie een geloof? Herman: 'Gevoelsmatig denk ik dat snaartheorie een kern van waarheid bevat. Zie het als een ideaal in de zin van Plato. Het moet mogelijk zijn per fysisch probleem een geschikt stukje snaartheorie te pakken waarmee dat probleem wiskundig is te modelleren - de schaduw. Zo'n afbeelding heeft de schoonheid van de schepping, van het perfecte schilderij, van het onderliggende ideaal, al in zich. In die zin beschouw ik snaartheorie als een schepping Gods.'

Vrijdag, mijn laatste dag in snarenland Princeton, ga ik naar een seminar op het Instituut. Een week lang heb ik vooral slimme en aardige mensen gezien, geen vakidioten of nerds. Vooraf lunch ik in een verzonken bak met betonnen trappen en lange grenen tafels. Samen met Igor Klebanov zoek ik een plekje aan het uiteinde van een lege tafel: de eerste tafel met fysici is vol. Terwijl Igor en ik ons aan de burger van de dag zetten, komt Ed Witten toelopen. Hij overziet de situatie en neemt plaats aan het andere uiteinde. Op zijn gemak stalt hij sla, appeltaart en water voor zich uit - Witten is vegetariër. Igor beweegt onrustig op zijn stoel. Dit kan niet. Hij aarzelt, pakt zijn blad op en verkast naar de meester. M

Dirk van Delft is redacteur wetenschappen van NRC Handelsblad.

Wim Klerkx is freelance fotograaf.

[streamers] 'Als natuurkunde niet permanent in je hoofd woelt, kom je niet ver.

Wie in het weekend de zaak laat versloffen, is maandag koud.'

Iedere snaarfysicus loopt rond met een steentje in zijn schoen: een probleem dat hij maar niet kraken kan en dat te belangrijk lijkt om zomaar te vergeten.