Gebruikelijk cliché

De toon is vertrouwd, de inhoud het gebruikelijke cliché. Steunend op wat historische elementen die er te hooi en te gras bij zijn gehaald, schotelt Van Hooff lezers van NRC Handelsblad op kerstavond een volstrekt negentiende eeuwse zienswijze op het fenomeen christendom voor.

Van Hooff doorloopt met zevenmijlslaarzen de vroege geschiedenis van het christendom en vraagt zich af waarom het christendom uiteindelijk te midden van alle concurrerende religies de winnaar is geworden. Dat is een vraag waar specialisten zich al decennia mee bezighouden, maar hun antwoorden wijzen zeker niet in de richting van de democratisering als door Van Hooff gesuggereerd. Evenmin is zijn kroongetuige Tertullianus een betrouwbaar element in de argumentatie dienaangaande omdat die door de kerk werd veroordeeld en dus minder invloed had dan de auteur wel zou wensen.

De echte geschiedenis van het succes van het christendom is een kwestie van integratie van de oude wijsbegeerte in een nieuwe vorm van religieus denken die je theologie zou kunnen noemen. De kern van het succes van het christendom ligt in de overgang van de intellectuele en sociale elite tot het christendom. Constantijn de Grote bijvoorbeeld ging over tot het christendom omdat het in zijn milieu opportuun was geworden om die nieuwe godsdienst aan te hangen. Opportuun, omdat het christendom bestaande intellectuele en religieuze voorstellingen had weten te assimileren en vernieuwen. Het christendom was, in de woorden van D. Praet, de meest succesvolle variant van het heidendom geworden.

Het beste voorbeeld daarvan is de integratie van het neoplatonisme, dat stelde dat de werkelijkheid lagen heeft die uit elkaar voortvloeien, maar dat het wezen ervan ons kennen te boven gaat, ja zelfs geen werkelijkheid meer genoemd kan worden. Welnu, in de confrontatie met het polytheïsme van de Oudheid, houdt het christendom vast aan het monotheïsme, maar stelt tegelijkertijd dat onderscheid gemaakt moet worden tussen de gestalten van God die toegankelijk zijn voor ons kennen (Vader, Zoon en Heilige Geest), en het werkelijke zijn van God dat misschien niet eens meer met het woord `zijn' aangeduid kan worden. Zoals Augustinus het stelt: wat moeten we dan zeggen, broeders, over God? Als je iets in woorden of begrip weergeeft, is het God niet. Als je Hem wilt begrijpen, begrijp je iets anders dan God. Wanneer het is alsof je hem kunt begrijpen, bedrieg je je begrip. Van de vrijheid van fantasie en verbeelding in het polytheïsme, maakt men de stap naar de vrijheid van denken over het goddelijke.

Dr. Matthias Smalbrugge is hervormd predikant in Aerdenhout.