EUFORIE: Japanse schansspringploeg, Nagano 1998

Ontroostbaar was schansspringer Masashika Harada. Minutenlang zat hij huilend op zijn knieën in de sneeuw van Lillehammer en Japan huilde met hem mee. Met een knullige sprong onthield hij zijn land een vrijwel zekere gouden medaille.

Iets meer dan honderd meter had hij daar maar voor hoeven te springen in een wedstrijd waarin 120 meter al bijna standaard was. Het werden er niet meer dan 97, een `juniorenafstand'. Zijn drie ploeggenoten lieten hem niet in de steek en probeerden hem vergeefs op te beuren. `Als je goud binnen handbereik hebt, is zilver niet eens een troostprijs', merkte Harada op nadat hij de Duitsers had gefeliciteerd. Vier jaar later, in 1998 bij de Spelen van Nagano, haalde Harada zijn gram. Voor eigen publiek wiste hij met zijn ploeg de `schande van Lillehammer' uit: het werd nu wel goud. Harada vloog, na een matige eerste poging, in zijn tweede sprong met een snelheid van tegen de 120 kilometer per uur zo'n drie tot vijf meter boven de grond voor hij 137 meter na zijn afsprong in een goede stijl landde: een schansrecord. Japan huilde weer, maar nu van vreugde. Een paar dagen eerder, op 15 februari, streden vreugde en droefenis nog om voorrang. Toen vochten de ook na Lillehammer altijd zeer populair gebleven Harada (`Adelaar', vader van twee kinderen, modelechtgenoot) en zijn ploeggenoot Kazuyoshi Funaki op het individuele nummer om goud. Playboy Funaki won. Harada had weer een misser en werd derde: om dat brons werd menig traan geplengd.

Dit is het 21ste deel in een serie over vreugde in en rond de sport.

    • Quirien van Koolwijk