En plotseling is daar land in zicht

Naar de Azoren moet je zeilen en niet vliegen. Negen eilanden op rij en alles draait om water. Maar ook zonder boot is het een indrukwekkende archipel.

De pier van de haven van Horta is het kleurrijke logboek van honderden zeiltochten. Iedere zeiler die de marina van het eiland Faial bezoekt, beschildert een stukje van de kademuur. De Nederlandse lange-afstandszeiler Henk de Velde liet hier zijn handtekening achter. Evenals de bemanning van VOC-replica Duyfken op hun tocht van Australië naar Nederland. Wie de schilderingen bekijkt wil zelf nog maar één ding: zeilen naar Faial. Of nog ambitieuzer, naar alle negen eilanden van de Azoren.

Het begint eigenlijk al op de vlucht van Amsterdam via Lissabon naar Faial. Na 1.500 kilometer oceaan doemt plotseling land op. Aarzelend tekenen zich aan de horizon enkele groene stipjes af die snel groter worden. Zo moet de Portugese ontdekkingsreiziger Diogo de Silves zich ongeveer hebben gevoeld toen hij in 1427 Santa Maria, het meest oostelijke eiland van de Azoren, ontdekte. Een ongemakkelijk gevoel bekruipt de reiziger: naar de Azoren moet je varen en niet vliegen. Maar wie heeft nog tijd om rustig naar het midden van de Atlantische Oceaan te dobberen? En eenmaal aangekomen bij de Azoren, overvalt je het grote aantal eilanden van de Portugese archipel. Deze reis beperkt zich tot drie van de negen: Faial, Pico en São Miguel.

Het eiland Faial ademt zeezeilen. De hoofdstad Horta krult zich rond de jachthaven, de marina, waar honderden zeilschepen uitrusten van een tocht over de Atlantische Oceaan. Verderop liggen de vrachtschepen en de Cruzeiro do Canal, de veerboot die de bezoekers naar het op enkele kilometers van Faial gelegen eiland Pico brengt. Op de kade ligt een geel onderzeebootje. Volgens de Duitse eigenaar zal dat worden gebruikt om de bodem rond het eiland te onderzoeken. Ooit, gezien de staat van het bootje.

De winkels in Horta verkopen scheepsapparatuur en spullen om de boot te repareren. In Café Peter Sports, de beroemdste kroeg van de Azoren, hangen souvenirs van zeilers. En hun oproepen: `boot zoekt bemanning', `zeiler zoekt schip'. Het café is een van de weinige plaatsen op de archipel waar `de commercie' flink heeft toegeslagen. Peter Sports heeft een eigen kledinglijn, die in het café wordt verkocht en op de luchthavens op de Azoren.

Wie Faial slechts ziet als jachthaven doet het eiland te kort. Huur een auto, rij het eiland in een halve dag rond en bekijk twee opmerkelijke natuurverschijnselen. Aan de noordwestkust van het eiland, bij Capelinhos, toont Faial zijn vulkanische oorsprong. In een aswoestijn zonder begroeiing zijn de gevolgen te zien van de uitbarsting van 1957, de meest recente op de Azoren. Blijf bij stevige wind – die vrijwel altijd waait op de eilanden – maar liever in de auto. Het vulkanische stof maakt ademen onmogelijk. Een aantal kilometer verder buigt de kustweg af naar het midden van het eiland. Een slalommend weggetje door metershoge hagen van hortensia's voert omhoog naar de krater. Parkeer de auto iets onder de krater en loop door het voetgangerstunneltje de krater binnen. Daar toont de Caldeira do Cabeço Gorde zich als ware het een groen en ongeschonden amfitheater. Vergeet terug op de parkeerplaats niet achterom te kijken naar het eiland Pico. Bij helder weer lonkt de vulkaan.

Eigenlijk ís de vulkaan het eiland. De Pico Alte is met 2.351 meter de hoogste berg van heel Portugal. De vaartocht met de veerboot naar het tweede eiland van de reis wakkert het verlangen naar een zeilreis naar de archipel alleen maar aan. De Cruzeiro do Pico stampt op de golven. Terwijl de toeristen zich met moeite staande houden op het achterdek, kletsen de Azoriaanse medereizigers met elkaar, ongedwongen en zonder zich vast te houden aan de reling. De veerboot omzeilt twee enorme rotsen en legt vervolgens aan in de hoofdstad Madalena van Pico.

Dit eiland is al eeuwenlang het eiland van walvissen en dolfijnen. Tweeëntwintig soorten komen voor in de wateren rond het eiland. Vroeger waren die een prooi voor de walvisvaarders. Het Museu do Baleeiros (Walvisvaartmuseum) in Lajes do Pico toont hoe de Piconezen met primitieve speren en harpoenen jacht maakten op de dieren. Tegenwoordig zijn de walvissen en dolfijnen nog steeds van groot economisch belang. Nu echter als prooi voor whale watchers.

Pico is tevens een goede plek om te duiken. De oceaan ten zuidwesten van het eiland is een populaire bestemming voor diepzeeduikers. Er zijn duikscholen in Lajes en Madalena. Diepzeeduiken is pas sinds een paar jaar populair op de Azoren. Op de grotere eilanden verschijnen steeds meer duikcentra. Ook onder water tonen de eilanden hun vulkanische oorsprong. Wie gewend is aan zand of koraal verbaast zich over de grote gebieden met lava, tunnels, bogen en kliffen. Er liggen ook enkele scheepswrakken.

Op weg naar het derde eiland, São Miguel, volgt weer die sensatie die vooral de zeezeiler kent. Na honderd kilometer water is er plotseling land in zicht. Met een lengte van 65 en een breedte van maximaal 14 kilometer is São Miguel het grootste eiland van de Azoren. Ponta Delgada is de hoofdstad van het eiland en van de archipel. Het eiland bewijst wederom dat op de Azoren alles in het teken staat van water: natuurlijk het zeezeilen maar ook bergmeren, thee, kuurbaden en de regen.

Op São Miguel is een huurauto een aangename luxe. Begin bijvoorbeeld op het vliegveld en rijd naar het noordwesten. Vermijd de grote weg langs de kust, maar slinger over binnenweggetjes naar Sete Cidades. Dit dorpje ligt in een krater van een uitgedoofde vulkaan aan de rand van twee bergmeren. Volgens de overlevering is het ene meer blauw en het andere groen, maar van dichtbij is zelfs niet te zien welk meer dan welke kleur zou hebben. Opmerkelijk is de rust. Over het met hoge dennen omzoomde pad naar de kerk schuifelt slechts een oud vrouwtje. In drie woorden Engels en een stortvloed Portugees wijst zij de Nederlandse toeristen de weg naar kust.

Het volgende reisdoel is het kuuroord Furnas. De weg langs de noordkust voert eerst nog langs Gorreana. Deze enige theefabriek van Europa ziet eruit als een museum. De mannen malen de bladeren en verwarmen ze in een oude Engelse machine. De vrouwen – allen met witte hoofddoekjes – sorteren de bladeren en pakken de zwarte en groene thee in.

Na 40 kilometer rijden in de regen doemt Furnas op uit de groene heuvels. De camping is gloednieuw, maar het stinkt er naar rotte eieren. Oorzaak: de bronnen met zwavelhoudend water in het nabijgelegen Parque Terra Nostra. De stank maakt niettemin nieuwsgierig. 's Ochtends vroeg, een zonnetje breekt door, is het park uitgestorven. Is deze vijver met geel water, dat lijkt op kerriesoep, het befaamde heilzame bad van Furnas? Aarzelend staan de Nederlanders langs de kant van het water. Even later verschijnen een vader en zo te zien zijn zoontje. Zij kleden zich uit en laten zich zonder gêne het water inglijden. Alsof het een gewoon golfslagbad is. ,,Dan wij ook maar.' Het water is warm, boven 30 graden, en de stank valt mee. Na verloop van tijd trek je zelfs baantjes door de derrie alsof je nooit anders hebt gedaan. Toch verlang je na het zwemmen in de zwaveldamp weer naar de frisse zeelucht.

Niet veel later vallen de eerste regendruppels alweer uit de lucht. Het weer op de Azoren is veranderlijk. De taxichauffeur zei het al op de eerste dag: ,,De Azoren kennen vijf seizoenen: lente, zomer, herfst, winter én dagen met het weer van alle seizoenen op één dag.'

    • Jan Benjamin