Een potpourri van persoonlijke huizen

Nieuw Zeeland, waar vrijwel iedereen in suburbia woont en waar schoonheidscommissies niet bestaan, is het mekka van het wilde wonen. Zelfs in een eens uniform arbeidersdorpje als Blackball zijn nu alle huisjes anders.

Nieuw Zeeland is het land van de wilde sporten. Het is het land waar toeristen `kicks' zoeken in `raften' op woeste stromen, `skydiven' vanuit vliegtuigen en niet te vergeten `bungy-jumpen', een activiteit die misschien niet in Nieuw Zeeland is uitgevonden, maar in ieder geval wel bekend werd toen twee Nieuw-Zeelanders met slechts een elastiek om hun enkels van de Eiffeltoren sprongen. Zeker een Nieuw-Zeelandse uitvinding is `zorbing', waarbij men zich in een doorzichtige plastic bal van heuvels laat afrollen.

,,By their buildings ye shall know them'', zo parafraseert de Nieuw-Zeelandse architectuurhistoricus William Toomath een bijbelcitaat in zijn boek Built in New Zealand. The Houses We Live In. En wat Nieuw Zeeland betreft, kloppen zijn woorden: Nieuw Zeeland is niet alleen het land van de ruige, gevaarlijke sporten, maar ook van het wilde wonen. In Nederland mocht de architect Carel Weeber dan vijf jaar geleden opzien baren met zijn pleidooi voor de afschaffing van overheidsbemoeienis met de woningbouw, Nieuw Zeeland heeft nooit anders gekend. Wonen in een eigen vrijstaand huis op een eigen kavel is hier altijd de norm geweest.

Nergens anders dan in Nieuw Zeeland is beter te zien wat er gebeurt als de overheid de door Weeber bepleite onbeperkte vrijheid van bouwen toestaat. Natuurlijk hoeft men voor wild wonen niet naar de andere kant van de wereld en begint de bouwvrijheid al vlak over de zuidgrens. Maar vergeleken met Nieuw Zeeland is België toch een braaf, beschaafd land. België kent veel oude steden met bijbehorende dichte bebouwing. Bovendien heeft het land een lange bouwtraditie die, hoe afgrijselijk de resultaten in Nederlandse ogen ook mogen zijn, toch de wildheid van het wilde wonen in toom houdt. In Nieuw Zeeland bestaan zelfs grote steden als Auckland (1 miljoen inwoners) voornamelijk uit suburbs met vrijstaande huizen. En een eigen bouwtraditie heeft Nieuw Zeeland niet. ,,We hebben hier geen gotische kathedralen'', zegt Alec Bruce, die als architect in Christchurch op het Zuidereiland werkt. ,,Hier op het Zuidereiland is niets ouder dan zo'n anderhalve eeuw. Aan stedenbouw doen we ook nauwelijks. Pas de laatste twintig jaar maken gemeenten stedenbouwkundige plannen, maar die zijn heel summier. Het is hier het Wilde Westen als het om bouwen gaat, het Zuidereiland is als Texas in de 19de eeuw. De Nieuw-Zeelandse houding is en blijft: `dit is mijn land en daar zet ik op wat ik wil'.''

Wettelijke regels voor bouwen zijn er in Nieuw Zeeland dan ook nauwelijks. Men mag geen torens bouwen die een schaduw werpen over naburige kavels en de bouwwerken moeten bestand zijn tegen aardbevingen. Om de laatste reden hebben bijna alle alle huizen in Nieuw Zeeland een houten skelet. In stilistisch opzicht is de vrijheid zelfs onbeperkt: welstand is een onbekend fenomeen in Nieuw Zeeland. ,,Slechts vijf procent van de huizen wordt ontworpen door architecten'', vertelt Bruce. ,,Goedkope huizen zijn catalogushuizen, de rest wordt hoofdzakelijk naar eigen inzicht gebouwd door de kaveleigenaren zelf of door aannemers.''

Waar dit toe leidt is het best te zien op het Zuidereiland, waar de grootste stad, Christchurch met een half miljoen inwoners, een kleinere, maar nóg ruimer opgezette versie van de hoofdstad van suburbia Los Angeles is. Een rit langs de kust van de middle class wijk Brighton levert een verbazende potpourri van hoogstpersoonlijke huizen op. De ene bewoner voelt zich thuis in wat nog het meest lijkt op een Indiaans pueblo-huis, een andere woont in een curieuze interpretatie van art deco. Weer anderen houden zichtbaar van Bauhaus-modernisme of juist Brits Victoriaans of Grieks klassiek of vrolijk postmodernisme in zuurstokkleuren, enzovoorts, enzovoorts.

Ongeveer hetzelfde, maar dan groter, luxer en uitbundiger, is te zien op Balmoral Hill, waar de rijken van Christchurch hun huizen laten bouwen. Hier staat een immense Italiaanse renaissance-villa naast een reusachtig, zichtbaar door De Stijl geïnspireerd huis dat op zijn beurt als buurman een paars-wit onbestemd modernistisch landhuis met rookglazen ramen heeft. Daarnaast staat een lichtgekleurde houten villa die afkomstig lijkt uit de film The Truman Story die weer wordt geflankeerd door eem krankzinnig, donkerbruin gedrocht – met zoiets als goede smaak houden de meeste Nieuw-Zeelanders zich niet bezig.

,,Elke stijl die je in Nieuw Zeeland ziet is een persoonlijke interpretatie van iets wat van overzee komt'', zegt Alec Bruce. Dit geldt zelfs voor het Nieuw-Zeelandse oerhuis, de cottage die in de tweede helft van de 19de eeuw overal in Nieuw Zeeland werd neergezet. De cottages, waarin de pionierende kolonisten in de tweede helft van de 19de eeuw hun intrek namen, bestaan uit een simpele tweekamerwoning van hout of golfplaat met een puntdak en een veranda.

Nieuw-Zeelanders zien zichzelf graag als Britser dan Brits en denken dat hun bouwkunst de sporen draagt van de Britse bouwtraditie, schrijft Toomath in zijn boek Built in New Zealand. Maar de oorspronkelijke Nieuw-Zeelandse cottage is niets anders dan een importproduct uit Amerika, zo laat Toomath in zijn boek weten. De oude Nieuw-Zeelandse cottages lijken als twee druppels water op de eenvoudige, simpel te bouwen catalogushuizen zoals die in de eerste helft van de negentiende eeuw werden ontwikkeld in Californië, de Amerikaanse deelstaat met bijna hetzelfde klimaat als Nieuw Zeeland.

Voor mooie verzamelingen Nieuw-Zeelandse oerhuizen moet je naar het Nieuw-Zeelandse platteland, naar gehuchten en dorpjes als Arthur's Pass en Blackball, vertelt Alec Bruce. In Blackball, in het westen van het Zuidereiland staan inderdaad tientallen oude, houten cottages. Oorspronkelijk dienden ze als onderkomens voor de mijnwerkers van de kolenmijn die hier van 1893 tot 1964 werd geëxploiteerd. Alleen de school, de kerk, het dorpshuis, de voormalige directeurswoning en het plaatselijke hotel zijn groter dan eenvoudige arbeidershuisjes met veranda's.

Na sluiting van de mijn verlieten de mijnwerkers Blackball en werd het dorpje het domein van hippies en andere alternatievelingen. Ze zijn er tot op de dag van vandaag blijven wonen en laten zien dat ook bij deze doodeenvoudige huisjes het Nieuw-Zeelandse wilde wonen zijn werk heeft gedaan. Hoewel alle oerhuizen hier oorspronkelijk eender waren, zijn ze nu allemaal anders. Veel cottages zijn door extra verdiepingen en uit- en aanbouwsels onherkenbaar veranderd – blijkbaar lenen de huisjes zich goed voor uitbreiding. Incidenteel zijn de oerhuizen nauwelijks van vorm veranderd, maar zelfs in deze gevallen hebben de bewoners hun eigen stempel op de huisjes gedrukt door ze in bonte kleuren te schilderen en ze te voorzien van nieuwe deuren, buitenlampen, hekjes en allerlei andere attributen naar eigen smaak. Zo is zelfs Blackball ondanks zijn uniforme begin een ode geworden aan het pure, onvervalste Nieuw-Zeelandse wilde wonen geworden.