Een oude stad van tragische, turbulente magie

Een nieuwe vakantiebestemming in Azerbajdzjan is Baku aan de Kaspische Zee. Alles draait er om olie maar wie reist ziet een juweel.

Natig Mammedov is minister van iets dat in Azerbajdzjan nog niet bestaat: toerisme. Een grote, bebrilde man met grijs haar in een blauw pak. Hij zetelt in Baku aan de oever van de Kaspische Zee op de tochtige vierde verdieping van Hotel Azerbaijan, dat vroeger Hotel Intourist heette en dat de inwoners van Baku nog altijd Hotel Intourist noemen, net zoals ze de allang herdoopte straten van hun stad nog altijd onder hun oude Sovjet-namen kennen.

Natig Mammedov zit blij onder het portret van zijn president en rekent zich rijk. Vorig jaar, zegt hij, kwamen er 1,2 miljoen buitenlanders naar Azerbajdzjan. We dachten altijd dat één procent daarvan als toerist kwam. Maar dat is onzin! We weten door onze contacten met de World Tourist Organization nu dat het er veel meer zijn! Misschien was wel vijftig procent toerist!

In 2003 gaat het pas echt beginnen, er is een presidentieel programma voor de ontwikkeling van het toerisme, zegt Natig Mammedov, we bakenen toeristische zones af, we leiden personeel op, we ontwikkelen routes en zetten informatiecentra op. Er zijn al 51 reisbureaus. Hij geeft hoog op van het klimaat, we hebben vele oude monumenten, hij prijst de stranden en de nationale keuken, Natig Mammedov, en de nationale tradities, de cultuur en de muziek. En zeker, onze hotels zijn nog niet van internationale klasse, sommige moeten grondig worden herbouwd, en de standaard moet omhoog, maar dat lukt wel, we hebben een investeringsprogramma, zegt Natig Mammedov, en we trekken buitenlandse investeerders aan. Hij diept in een la van zijn bureau een lijst op waarop de buitenlandse bezoekers voor de eerste helft van 2002 naar nationaliteit zijn uitgesplitst. Hij zoekt de Nederlanders. Driehonderddrie. Er kwamen in die eerste helft van 2002 precies 303 Nederlanders dit land binnen. En Mammedov wil wel toegeven dat de meesten van hen werknemers van oliemaatschappijen zullen zijn geweest. En 303 is ook niet indrukwekkend. Maar Natig Mammedov laat zich er niet door uit het veld slaan, want daarvoor, zegt hij, daarvoor hebben we te veel te bieden.

En in elk geval met die laatste opmerking heeft de minister gelijk. Baku, de hoofdstad van Azerbajdzjan, een metropool van twee miljoen inwoners, heeft geen toeristische reputatie. Baku – dat staat voor `ver weg' en het staat voor olie. Is het nog Europa, of is het al Azië? Of Midden-Oosten? Baku staat voor ijzeren bossen van boortorentjes. Voor boorplatforms in zee. Voor jaknikkers die in jaren na jaknikken tot hun knieën in de plassen olie zijn komen te staan.

Het is allemaal waar: Baku is olie en olie is Baku. En toch, Baku is een juweel. Baku – de naam komt van Bad Kube, Stad der Winden: het waait er altijd – heeft een mooi bewaarde ommuurde oude stad, een cultuurgoed op de Unescolijst. En rond die oude stad heeft Baku een ring van paleizen, het een nog fraaier dan het andere, die er werden neergezet in de tijd van de oil boom, tussen 1872 en pakweg 1915, paleizen van de oliebaronnen, Azeri zowel als buitenlanders, wier rijkdom en wier eerzucht geen grenzen kende en die dus hun eigen paleis nog grandiozer maakten dan dat van de buurman.

Baku is een stad met sfeer. Een Mediterrane stad met een warm en droog klimaat, tot eind oktober is het boven de twintig graden. Een stad met ceders en palmen en agaven en flanerende mensen bij het Fonteinplein. 's Avonds zijn de brede weg van het plein naar de strandboulevard en die strandboulevard zelf, vol slenterend volk, flirtende jongeren. Zwart is de modekleur, net als in Georgië en Armenië: vrouwen kleden zich in modieus zwart, hebben zwarte ogen, zwart haar. Een islamitische stad, maar de Azeri zijn losjes met de islam – ,,De koran verbiedt ons wijn te drinken, dus drinken we wodka'' – en alleen de straatveegsters zijn gesluierd, met een masker tegen het stof. ,,Mijn overgrootmoeder werd in 1890 geboren en stierf in 1954 in een burqa. Mijn grootmoeder werd in 1910 geboren en heeft nooit een burqa gedragen.'' Een bruisende stad. Het verkeer kent geen regels, maar de straten zijn zo breed dat dat verkeer niet stoort. Langs de boulevard een roestend carrousel en een achtbaan uit de Sovjet-tijd. In stalletjes kun je terecht voor een pitsa of een qamburger. In de parken dammen mannen op banken. Niemand heeft haast. De sfeer is gemoedelijk. Op de straatmarkt bij het Fonteinplein kun je backgammon-spelen kopen met het portret van Stalin en munten van de Habsburgers en matrjosjka-poppen met het portret van Clinton, Bush, Poetin of Osama bin Laden. Have a good day, Sir, ook als je niets koopt.

Een arme stad: bejaarden verkopen zonnebloempitten of sigaretten – per stuk – of zitten achter een weegschaal waar je voor een paar centen je gewicht kunt controleren. Hier en daar een déjà vu: Baku's stadsbussen komen uit Nederland, afleggertjes van niet eens zo lang geleden, ze zijn nog altijd geel en de vroegere eigenaars – VEONN, RET, Zuid West Nederland – staan er nog steeds op. Soms worden boven de voorruit de Nederlandse bestemmingen nog vermeld: `Steenwijk-Meppel', `Tuinwijk'.

Honderddertig jaar geleden was Baku niet meer dan die ommuurde Içeri Seher, wat Oude Stad betekent. Veertienduizend mensen woonden er toen. De stad was oud – anderhalf millennium – maar niet heel belangrijk: een kleine halte op een van de diverse takken van de zijderoute, waarvan nu nog karavanserais getuigen waar de reiziger al 750 jaar kan eten. Baku lag, en ligt, in een woestijn. Pas naar het noorden, richting Kaukasus, begint grasland. Baku was eeuwenlang niet meer dan een vesting met een haventje. In 1720 had tsaar Peter de Grote, met zijn obsessie met uitgangen naar zee, er zijn vloot op af gestuurd. De Russen veroverden Baku, maar verloren al na dertien jaar de belangstelling en vertrokken, waarna Baku weer werd wat het altijd was geweest, een twistappel(tje) tussen de Perzen en de Turken. Het was sinds de 12de eeuw hoofdstad van een kwetsbaar rijkje van heersers – sirvansahs, naar de naam van hun land: Sirvan – met machtiger buren aan wie ze schatplichtig waren, nu eens Turken, dan weer Perzen, en soms Georgiërs of Russen.

In 1806 veroverden de Russen het opnieuw, zonder moeite overigens want de inwoners waren de Turken en Perzen meer dan beu. Hun sjah bood nog even verzet, op 8 februari beloofde hij zich over te geven aan de Georgische generaal die de Russische troepen aanvoerde, een generaal die bekend stond om zijn wreedheid. Maar toen die om vier uur 's middags de sleutels van de stad kwam halen, schoot een lid van de lijfwacht van de sjah hem dood. De sjah vluchtte ijlings naar Perzië. Boven de poort in de stadsmuur waardoor hij de stad verliet, herinnert een gebeeldhouwde klok, waarvan de wijzers op 4 uur staan, nog aan dat moment. Baku werd een zuidelijke buitenpost van het rijk der tsaren, ze versterkten de muren rond de oude stad en deden verder niets met Baku. Bouwen buiten de muren was verboden: als de Turken of Perzen kwamen, moest er een open schootsveld zijn voor de verdedigers. En zo bleef dit kleine ronde ommuurde plekje onaangetast.

Die Içeri Seher, die oude stad, is onaangetast gebleven, ook in zeventig jaar Sovjet-bewind dat elders zoveel ouds verwoestte om het te vervangen door architecturale ellende. Niet hier. Van de dubbele muur van vroeger is de buitenste afgebroken, maar resteert de binnenste na 750 jaar nog onbeschadigd. Ook binnen die muur is weinig veranderd. Geen moderne gebouwen, geen sloop van oud en herbouw met nieuw dat uit de toon valt. Integendeel: waar is gesloopt, is heropgebouwd met hetzelfde materiaal van zandsteen en in dezelfde stijl.

Symbool van Baku en van Azerbajdzjan is de Maagdentoren, een veertig meter hoog bouwwerk aan zee. De onderste helft werd gebouwd in de achtste eeuw, de bovenste helft werd er in de elfde eeuw op gezet. Een toren waar alleraard legenden omheen zijn verzonnen, over tragische prinsessen die er werden opgesloten en zich er in wanhoop vanaf stortten, maar meer dan uitzichttoren en deel van de vesting Baku – de muren zijn vijf meter dik – is de Maagdentoren nooit geweest.

Vanaf de top zie je uit over de haven, de zee en de oude stad, met kronkelige straatjes, huizen met de grote gietijzeren balkons en de typische erkers van prachtig bewerkt walnotenhout, badhuizen waar nu tapijtwinkels in zijn gevestigd en moskeeën waarvan de oudste uit 1079 dateert. Moskeeën zonder opsmuk: hier niet fraai of zelfs uitbundig ingelegd mozaïekwerk en felgekleurde koepels, zoals in Centraal-Azië of Iran. In Azerbajdzjan zijn de moskeeën sober, ingetogen, zelfs streng. Dat is ook het paleis van de sirvansahs, de vroegere heersers over dit rijkje. De belangrijkste gebouwen dateren uit de eerste helft van de vijftiende eeuw: een paleis met een achthoekige vergaderhal, een harem, een moskee, koninklijke graftomben. Alles van zandsteen, het enige materiaal dat hier voorhanden was – zelfs klei was en is hier niet.

De geschiedenis van dit ommuurde stadje sloeg om op de dag in 1872 waarop de tsaar het staatsmonopolie op de oliewinning afschafte. Het was een startschot: uit Rusland en uit Europa en later Amerika kwamen de oliezoekers om hier in een klap rijk te worden. Legio zijn de verhalen van arme Azeri met een klein stukje land die een schop in de grond staken en een geiser van olie aanboorden. De gebroeders Nobel kwamen uit Zweden om walnotenhout te kopen voor de geweerkolven die ze fabriceerden, maar besloten wat olieraffinaderijen te kopen waarin de achtergebleven broer Alfred flink investeerde. Ze werden steenrijk – eenzesde van het geld dat de Nobelstichting nog jaarlijks aan Nobelprijzen uitreikt, is afkomstig van de Azerbajdzjaanse olie. Hier voer 's werelds eerste olietanker, de Zoroaster. Hier kwam een eeuw geleden de helft van 's werelds olie vandaan.

Baku komt niet voor in de Nederlandse reisgidsen. Nog niet. Alleen Koning Aap biedt de individuele reiziger hulp bij een bezoek aan Baku. Maar reisbureau Improtex, op de hoek van de Nizami- en de Samad Vurgunstraat, biedt de toerist wel het een en ander: rondleidingen, uitstapjes naar elders, een- of meerdaagse trips naar bestemmingen in het noorden en westen, het mooiste deel van Azerbajdzjan, de oude stad Shechi bijvoorbeeld, of de stad Quba, uitvalsbasis voor bezoeken aan de Kaukasus. (Bij Quba ligt overigens Krasnaja Sloboda, naar men zegt 's werelds enige puur joodse stadje buiten Israël en de bezette gebieden, met mannen met keppeltjes en een kleine moskee, en daken met dakgoten met Davidssterren: zeker zeven eeuwen al wonen hier joden.) Emil Nasibov, de manager van Impotex, rept van samenwerking met Koning Aap en van groeiende aantallen Amerikanen en Japanners die hier komen.

Fuad Ahundov is een politieman. Hij werkt voor Interpol. Maar in zijn vrije tijd is hij gids. Ahundov begon zich als jongen in de jaren tachtig te interesseren voor de kolossale paleizen die de oliebaronnen rond de oude stad bouwden tussen 1872 en de komst van de Sovjets, toen het in één klap afgelopen was met de oil boom. Toen mocht dat nog niet: alles wat voor de komst van het communisme was gebeurd was feodaal, uitbuiting, verwerpelijk, oninteressant en dus taboe. Maar in de jaren negentig mocht het wel en Ahundov spoorde de verarmde afstammelingen op van de oliebaronnen die al die paleizen hadden neergezet, peuterde oude foto's en oude verhalen los, ging naar het stadsarchief en ruilde afdrukken van die foto's met informatie uit dat archief. Zo reconstrueerde hij de geschiedenis van elk van die paleizen, hij kent de oliebaronnen van toen als geen ander.

De paleizen staan vooral langs de Istiqlalyat, de Onafhankelijkheidsboulevard. Daar waar de boulevard zijn halve boog rond de oude stad begint, aan zee, staat een van die kolossale paleizen, honderdvijftig meter in het vierkant, vier verdiepingen hoog, met veel gietijzeren balkons. In 1905, zegt Ahundov, werd het gebouw gekocht door een zanger van volksliedjes, Mirta Babajov. Hij had als beloning voor een optreden een stukje land gekregen – waar olie werd gevonden. In één klap was Babajov schatrijk. Zijn pech was dat de andere oliebaronnen op hem, de zanger, neerkeken. En dus wiste Babajov dat verleden uit: hij kocht al zijn opnamen op en vernietigde ze. Toen de Sovjets hem onteigenden was hij op slag straatarm – rijke Azeri hadden hun geld vooral in onroerend goed gestoken. Hij nam de wijk naar Parijs. Het verhaal gaat dat hij daar in een café nog een keer zichzelf hoorde zingen. Hij ging naar binnen en bood de kelner zijn laatste bezit in ruil voor de plaat: een gouden ring. Toen de kelner hem de plaat gaf gooide Babajov hem stuk.

De oliebaronnen van toen waren trots op hun rijkdom: hún paleis moest het mooiste zijn. En dus verrezen aan deze boulevard kopieën van Venetiaanse paleizen, een kopie van het casino van Monte Carlo werd Baku's Filharmonie. Tegenover de Filharmonie staat een paleis van een oliebaron, die rijk genoeg was om de bouwers om te kopen, opdat ze een openluchtpodium zó bouwden, dat hij de concerten vanaf zijn balkon aan de andere kant van de straat kon volgen. Even verderop bouwde Henry Deterding het paleis waar nu de openbare aanklager zit, nog verder staat het paleis – nu zit daar de Academie van Wetenschappen – dat een oliebaron een charitatieve vereniging cadeau deed. De Azerbajdzjaanse oliebaronnen waren gul: een van hen was zelf analfabeet, maar hij schonk de stad wel een middelbare school voor meisjes – de eerste in de islamitische wereld, zegt men in Baku –, en een ziekenhuis dat honderd jaar later nog steeds als ziekenhuis dienst doet.

Achter het Fonteinplein – wandelgebied – ligt een hele wijk die in dezelfde tijd is gebouwd en die in talrijke gevels doet denken aan Boedapest: dezelfde Jugendstil, dezelfde verscheidenheid aan portieken en balkons, hetzelfde stucwerk, dezelfde decoratieve inventiviteit. Geen wonder, want het flamboyante centrum van Boedapest werd in dezelfde periode gebouwd, tussen 1880 en 1915. Baku's mooiste gebouw is wellicht het paleis naast de Maagdentoren, en even hoog. Het Hacinski-huis, gedecoreerd met een fantastische verzameling van stenen wijnranken, waterspuwers, dierenkoppen, erkers en balkons. Ook dit paleis hebben de Sovjets gelukkig ongemoeid gelaten. Alleen de naam van bouwer Hacinski is van de gevel weggehaald.

In Baku, zegt Fuad Ahundov, heeft elke steen een verhaal, ,,Baku is magie, maar tragische magie, turbulente magie. Baku is een verhaal van revoluties en bezettingen, van plotselinge welvaart, van plotselinge armoe en van misdaad.'' Hij verhaalt van oliebaronnen die werden afgeperst door de toenmalige maffia, van zonen die werden vermoord om geld, van dochters die moesten trouwen met mafiosi om de moord op de volgende broer te voorkomen, van rijkdom die maar even duurde. Baku is een kaars die opflakkerde en doofde. Wat rest is een ring van pracht.

    • Peter Michielsen