`Die overdreven obsessie met hersenen'

De vondst van Sahelanthropus was niet de enige paleontologische schok. De Nederlander Fred Spoor beschreef een paar jaar geleden Kenyanthropus.

`Nog niet zo lang geleden was het beeld van de menselijke evolutie een soort strohalm: een rechte afstammingslijn waarop alle fossielen op hersengrootte werden gerangschikt. De vele nieuwe vondsten in de afgelopen twintig jaar hebben daar een stamboom van gemaakt: een rechte stam tot zo'n tweeënhalf miljoen jaar geleden en daarna een uitwaaiering. Maar de publicatie van Sahelanthropus in 2002 en onze vondst van Kenyanthropus in 2001 hebben nu ook van die stam een soort struikgewas gemaakt.''

Er zijn geen rechte lijnen meer in de menselijke evolutie, vertelt de Nederlandse paleontoloog Fred Spoor. Hij werkt al ruim tien jaar in Engeland, aan het University College London, maar eind vorig jaar was hij even in Nederland voor een lezing over de menselijke evolutie in het Haagse Museon. In een Haagse koffiesalon vindt hij tijd voor een gesprek. ``Het is lang geleden dat ik in het Nederlands een lezing heb gegeven!'', verzucht hij met een licht maar duidelijk Engels accent.

Spoor is op een breed vlak actief in de paleontologie. Hij is een van de twee editors van het belangrijke Journal of Human Evolution en publiceerde over het evenwichtsorgaan bij Neanderthalers en recentelijk ook bij fossiele walvissen (Nature, 9 mei 2002) (zie kader). Maar zijn belangrijkste publicatie (Nature, 22 maart 2001) is de vondst van Kenyanthropus platyops, een 3,5 miljoen jaar oude voorloper van de mens, tijdgenoot van de bekende Australopithecus afarensis (`Lucy').

Volgens Spoor en zijn mede-auteurs, onder wie de bekende Meave Leakey, is Kenyanthropus zo verschillend van Australopithecus dat hij moet worden ondergebracht in een apart geslacht (genus). Het platte gezicht lijkt op dat van de veel jongere Homo rudolfensis (circa 2 miljoen jaar oud), een van de oudste fossielen uit het geslacht Homo. De creatie van dit nieuwe genus tastte het beeld aan van Australopithecus als voorouder van Homo. De rechte stam was veranderd in een struikgewas, want de afstamming kan even goed lopen via Kenyanthropus. De tweede klap voor de ordelijke afstamming van het geslacht Homo kwam in juli vorig jaar met de publicatie van de Sahelanthropus tchadensis. Met 6 à 7 miljoen jaar was hij ruim twee miljoen jaar ouder dan de oudst bekende Australopithecus.

Die ouderdom was al zeer verrassend, maar de grootste klap was dat Sahelanthropus allerlei typische Homo-kenmerken bleek te hebben, waaronder een nogal plat gezicht en Homo erectus-achtige wenkbrauwbogen. Spoor: ``Het is een gezicht dat je objectief gezien in fossielen van 600.000 jaar zou vinden! Door dit oude fossiel is het nu heel moeilijk geworden om te weten wat de primitieve vorm is: hoe zag de gezamenlijke voorouder van de mens en de chimpansee eruit? En daar komt bij dat je het genus Homo in één keer, patsboem, in de fossielen ziet verschijnen, rond 2 miljoen jaar geleden. Het zou best kunnen dat de hoofdevolutie zich dus helemaal niet in Oost-Afrika, met Australopithecus, heeft afgespeeld, maar in het meer beboste West-Afrika. En uit West-Afrika hebben we dus niks, omdat daar de oude sedimentlagen niet aan de oppervlakte komen.''

In maart vorig jaar, nog voor de officiële publicatie, was Spoor twee dagen in Poitiers, om bij zijn Franse collega Michel Brunet de schedel van Sahelanthropus tchadensis met eigen ogen te bekijken. ``Ik had al foto's gezien – de grootste schok had ik gehad. Maar het was wel kleiner dan ik dacht. Het fossiel lijkt zó sterk op veel jongere schedels die juist erg groot zijn. En dan heb je daarvan ineens een miniatuurversie in handen! Dat was echt een schok.''

Paleontologen hebben meestal de neiging hun eigen fossielen als zeer bijzonder te beschouwen. Het nieuwe beeld van een struikgewas van mogelijke afstammingslijnen tussen allerlei verschillende geslachten kan dan toch ook een gevolg zijn van een toevallige mode om nieuwe geslachten te creëren?

Fred Spoor: ``Dat hoor je vaker. Soms is het in de mode om nieuwe soorten en genera te maken en dan weer is het de trend om alles bij elkaar te gooien. Tot op zekere hoogte klopt dat wel. In de eerste helft van de twintigste eeuw kreeg bijna elk nieuw fossiel een nieuw genus, de Peking-mens, de Java-mens, enzovoort. Dat was absoluut belachelijk. Maar nu is het anders.

``Sommige buitenstaanders denken nog altijd dat menselijke evolutie een raar soort vakgebied is waarin ego's van onderzoekers een belangrijke rol spelen. Maar dat is niet meer, het onderzoek is veel volwassener geworden. Er zijn gewoon veel meer mensen mee bezig. Niemand kan meer ongestraft gezaghebbend onzin beweren. Dan staan er een half jaar later tien andere artikelen in goeie tijdschriften die aantonen dat het echt flauwekul is. Er is veel verbeterd.''

Niettemin, veel consensus is er niet. Is Kenyanthropus nu wel of niet de voorloper van Homo habilis, bijvoorbeeld?

``Nou, ik denk dat iedereen het er over eens is dat we het gewoon niet weten. Ik denk dat dat ook een belangrijk verschil is met vroeger, dat deze onwetendheid veel vaker expliciet wordt gemaakt. In de discussies over Kenyanthropus benadrukken wij dat ook telkens. En er valt ook over te praten, zeker als het om een nieuw genus gaat. Vaak worden bijvoorbeeld de robuste vormen van Australopithecus (A. boisei, A. robustus) ondergebracht in een apart genus, Paranthropus. Als je die toch liever gewoon Australopithecus wil blijven noemen, dan kun je er natuurlijk ook best Kenyanthropus bij nemen. Maar als je die verschillen wel maakt, als je erkent dat er sprake is van verschillende gezichtsvormen en andere tanden, met een eigen biologische en adaptieve functie, dan is Kenyanthropus wel degelijk een apart genus. Genera zijn een werktuig om indelingen te maken, om aan te geven dat je een verschuiving krijgt in algemene ecologische aanpassing.

``Maar deze argumenten gaan over details. Ik wil hier echt benadrukken dat er uiteindelijk ontzettend veel consensus bestaat in het hele vakgebied van de menselijke evolutie. De details worden er uitgelicht omdat dat aantrekkelijk is, zowel in de pers als in het vakgebied zelf. Als je een onderzoeksbeurs wilt krijgen, dan is het natuurlijk veel aantrekkelijker om te zeggen: ik heb een heel ander idee dan wat er nu bestaat, en dat wil ik bewijzen.

``We weten van de menselijke evolutie véél meer dan van enig andere soort! Er wordt vaak geklaagd dat er zo weinig fossielen zijn. Wij weten van de mens in periodes van 50.000 jaar – of 100.000 jaar als je wat verder terug gaat – wel zo'n beetje wat er gebeurd is. Voor andere dieren is dat onbekend.''

Wat is die consensus dan?

``Eh, tja! Eigenlijk is die consensus nu dus verstoord door Kenyanthropus en Sahelanthropus. Maar tot voor een jaar was was de algemene consensus dat Australopithecus afarensis en anamensis de basisgroep was, in de periode 4,4 tot 2 miljoen jaar geleden – met Kenyanthropus als een vroege afsplitsing van die groep. Deze groep ziet er min of meer chimpansee-achtig uit en daaruit komt dan een radiatie van soorten voort die het genus Homo vormt, de groep waaruit de moderne mens is voortgekomen, enzovoorts. En eerlijk gezegd denk ik dat die consensus misschien nog steeds bestaat omdat veel mensen nog altijd niet beseffen hoe ingrijpend die vondst in Tsjaad is. Want het fossiel in Tsjaad heeft diverse karaktertrekken die we tot voor kort als heel erg hoog ontwikkeld zouden beschouwen.

``En nu weten we het dus niet meer zo goed. Want hoe moet je die hoog ontwikkelde trekken beoordelen, zo dicht op de scheiding van chimpansee en mensen? Ik zie die onzekerheid overigens als vooruitgang. Want je hebt nu eenmaal verwarring nodig om verder te komen. En je moet ook bedenken: hoe minder fossielen je hebt, hoe makkelijker het is om een patroon te zien.''

Alle zekerheden worden ons dus afgenomen?

``Niet alle. Er is natuurlijk nog altijd een bijna ideaal beeld van de ontwikkeling vanaf Homo erectus, helemaal door naar de moderne mens. Je kunt veel gedoe maken over de precieze soortnamen of over de bijdrage van Neanderthalers aan de moderne mens, Maar dat zijn opgeblazen controverses. Vrijwel iedereen gaat nu uit van een overweldigende bijdrage van de Homo sapiens uit Afrika, met misschien een kleine bijdrage van de neanderthaler en de oude Homo erectus. De controverse wordt in stand gehouden doordat er een charismatische verdediger aan de andere kant is, Milford Wolpoff, die ook letterlijk een groot stemgeluid heeft. Die weet alles creatief te interpreteren. Hij houdt iedereen wakker, dat wel!

``Niettemin, óók Homo erectus is een probleem aan het worden. Lange tijd leek dat een homogene groep te zijn, omdat we er alleen maar hersenschedels van kenden, en niet veel aangezichten. In Dmanisi, op de Kaukasus, komen er nu allerlei schedels uit de grond die laten zien dat er héél veel variatie is, niet alleen in bouw van de schedel, maar ook in de grootte. En dat laat zien hoe naïef eigenlijk dat oude geloof in hersengrootte is geweest. De klassieke rangschikking van fossielen op een mooie rechte lijn op basis van absolute hersenvolumes – het strohalm-model – is veel te simpel. Zelfs bij moderne mensen varieert de herseninhoud tussen 1000 en 2000 cc. Zoveel! Als dat bij ons al zo is, waarom zou dat bij de fossiele mens anders zijn? In Dmanisi worden nu extremen gevonden, zoals deze zomer een heel klein schedeltje dat er toch echt als Homo erectus uitziet.

``Als je rekening houdt met de lichaamsgrootte zie je dat er van Australopithecus tot een half miljoen jaar geleden – als er dus al anderhalf miljoen jaar Homo erectus bestaat – maar een hele kleine relatieve groei van de hersenen plaatsvindt. Pas daarna explodeert het. Zelfs Homo erectus is dus niet zo heel groot in zijn hersenen. Het is gewoon een grotere soort. Veel belangrijker is dat Homo erectus een meer menselijk gedrag heeft. Het heeft een menselijker skelet, met kortere armen en langere benen dan de meer aapachtige voorgangers. Vóór Homo erectus was de rechtopgaande gang anders, wellicht minder aangepast dan in moderne mensen. En rennen konden ze waarschijnlijk niet. Die verandering in het skelet èn een verschuiving in het dieet wijzen er op dat er een nieuwe ecologische niche werd betreden. En dat rechtvaardigt een ander genus. De herseninhoud maakt dan niet eens veel uit. Die obsessie met hersenen is overdreven. Wat weten we nu van die hersenen? Alleen maar de grootte, en een enkele keer wordt iets afgeleid uit de afdruk van de hersenen aan de binnenkant van de schedel. Het is allemaal veel te gemakkelijk om alles maar aan die hersenen toe te wijzen.''

    • Hendrik Spiering