De stoel in Frankfurt

De euro is van ons allemaal, maar wat de besluitvorming in het bestuur van de Europese Centrale Bank betreft moet deze slogan in de toekomst aangepast worden. Met de huidige twaalf eurolanden geldt het beginsel van één stem per land, maar de ECB heeft een plan uitgewerkt om het stemrecht te beperken als het aantal eurolanden tot vijftien of meer toeneemt. De uitbreiding van de EU met tien lidstaten en de mogelijke toetreding tot het eurogebied van de huidige buitenstaanders Groot-Brittannië, Zweden en Denemarken vergroten theoretisch het aantal eurolanden tot vijfentwintig. Plus de zes permanente bestuursleden levert dat een bestuursraad van eenendertig op en in de toekomst nog meer.

Zo hard zal het niet gaan, want de toetreding van de nieuwe lidstaten tot de monetaire unie zal niet op stel en sprong gebeuren. Maar er moet wel op worden geanticipeerd en het valt te prijzen dat de ECB het heikele onderwerp van de stemprocedures heeft aangesneden. Vroeg of laat zal dit ook moeten gebeuren met de samenstelling van de Europese Commissie, het dagelijkse bestuur van de EU. Nederland, als grootste van de kleinen, als kleinste van de groten, valt tussen het laken en het servet.

De ECB stelt voor dat niet alle eurolanden in de tweewekelijkse vergaderingen altijd mogen stemmen. In de praktijk wordt weliswaar gestreefd naar consensus over het monetaire en rentebeleid, maar de verhoudingen worden hiermee op scherp gezet. De grote landen – Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en na toetreding Groot-Brittannië – krijgen vrijwel altijd een stem, de overige landen wisselen in een tempo dat afhankelijk is van hun omvang. Het ECB-bestuur krijgt zo iets van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties met permanente en roulerende leden. Hiermee vervalt een van de politieke argumenten die zijn gebruikt om de toetreding van Nederland tot de monetaire unie te rechtvaardigen. Nederland zou in de ECB gegarandeerd een stem krijgen als over het monetaire beleid besloten wordt – en niet langer afhankelijk zijn van de Duitse Bundesbank zoals in het oude stelsel, toen de gulden nog aan de D-Mark was gekoppeld. Die Nederlandse stem is in de toekomst dus niet altijd meer zeker. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan één van de argumenten om de nationale soevereiniteit op monetair gebied op te geven.

De Nederlandsche Bank heeft zich een tijd verzet tegen de voorgestelde aanpassing, maar kan er nu mee leven. Ook het ministerie van Financiën ziet geen onoverkomelijke bezwaren. Nederland kan moeilijk anders. De uitbreiding van de EU en op termijn van de groep eurolanden is een gegeven. Een herziening van de institutionele besluitvormingsprocedures – niet alleen in Frankfurt, ook in Brussel – is daarvan een onontkoombaar uitvloeisel. Dit is onderdeel van het proces in de Europese Conventie, die zich buigt over de toekomst van de Unie. Naarmate meer landen toetreden, moeten de bestaande lidstaten meer of minder inschikken. Ook Nederland ontkomt daar niet aan.