De stadhouder terug!

Wie over honderd jaar de kranten van Nederland uit 2002 leest, zal denken dat het een rampjaar was waarbij 1672 in het niet valt. Toen werden de gebroeders De Witt gruwelijk omgebracht door het gepeupel, het land was in oorlog met half Europa en een listige Oranjezoon wist een eind te maken aan het eerste stadhouderloze tijdperk. De republiek die zich met vallen en opstaan ontwikkelde, had in Johannes de Witt een bekwame leider, maar het volk morde. Er werd vooruitgang verwacht van een nieuwe leider die enkel en alleen omdat hij een nazaat was van een ander slachtoffer van politieke moord, namelijk die op zijn betovergrootvader Willem van Oranje, redding zou kunnen brengen.

De moord op de broers hielp de jonge Willem III aan zijn plaats als stadhouder. Het volk dat hem op de troon gezet had, kwam echter bedrogen uit. De corruptie nam toe, en de felheid van de oorlogsacties werd opgevoerd. Willem III bleek niet het zozeer om de Nederlanden te gaan, als om een internationale positie, die hij in 1689 verwierf toen hij tot koning van Engeland gekroond werd. Al enige jaren daarvoor had hij het stadhouderschap in de Oranjefamilie zeker gesteld door het erfelijk te laten maken, althans in Holland en Zeeland. Willem III moet een geslepen baasje geweest zijn, al had hij de pech geen nakomelingen te hebben die hem in directe lijn konden opvolgen.

In 2002, pas 430 jaar later, vond er opnieuw een politieke moord plaats in Nederland, alleen was het nu geen volk dat twee begaafde politici om zeep hielp, maar een doorgedraaide enkeling die een man doorzeefde die nog geen kans had gekregen om iets anders te doen dan zeepbellen blazen. In 1672 was het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos, volgens de woorden van Groen van Prinsterer in 1846. In 2002 lijkt het volk radeloos, de regering reddeloos, het land redeloos. Ervaren politici staan machteloos aan de zijlijn of hebben het laffe hazenpad gekozen, terwijl klungelaars proberen te doorgronden hoe de staat werkt. Elke man of vrouw die tot elf kan tellen en negen vrienden en wat vrije tijd heeft, richt een politieke partij op. Het volk holt van de ene nieuwe zeepbel naar de andere zonder af te wachten of die uiteenspat. Nederland gelooft niet meer in zichzelf en schreeuwt dat het ten onder gaat omdat er geen normen en waarden meer zijn.

De kranten staan vol analyses en raadgevingen. Gabriël van den Brink schrijft de nieuwe Tien Geboden, Piet Gerbrandy ziet heil in een nieuw scholingsoffensief, de burgemeester van Leeuwarden wil luxe jeugdhonken in heel het land en de alomaanwezige Joost Zwagerman huilt zoveel dat zijn huis wel vochtproblemen moet krijgen.

Maar gaat het wel zo slecht in Nederland? Ik verbaas me zelf altijd over de vrijwel naadloos aansluitende infrastructuren van deze tijd. Ik draai een kraan open en er komt drinkbaar water uit. In Venetië komt uit diezelfde kraan chloor, in India bruine drab of niets. Alleen al de manier waarop ik voor dat water betaal is geniaal van samenspel. Er zit een machinerietje in mijn kelder dat berekent hoeveel ik gebruik, op basis daarvan een beraming maakt, mij per maand automatisch via elektronisch geld dat automatisch als salaris op mijn rekening komt en waar automatisch belastinggeld vanaf gehaald is dat onder andere dient om de ondergrondse leidingen te kunnen onderhouden, aanslaat voor een bepaald bedrag dat dan weer automatisch aangepast wordt als ik na een éénjaarlijkse controle van de stand van het gebruik meer of minder dan de geschatte kubieke meters getapt heb.

Ik verbaas me altijd meer over de dingen die wél kloppen dan over de dingen die fout gaan. Hoe is het mogelijk dat ik in december verse sla kan eten uit een zak waarin een aardige mengeling van diverse soorten groen gestopt is door frisse handen of een frisse machine, dat ik geen zand daarin aantref, dat ik kan vertrouwen op de houdbaarheidsdatum die een machine daarop gestempeld heeft in een cijfercode die ik begrijp, dat ik op vrijwel elk uur van de dag naar een supermarkt kan lopen die de sla in een schap heeft staan, altijd op dezelfde plaats, dat ik die zonder vragen kan pakken, een paar munten kan neerleggen en weggaan? Zonder dat ik iemand bij de spoorwegen ken, kan ik afspraken met ze maken en ze brengen me naar Parijs op de tijd die ik gekozen heb.

Een majestueus netwerk van op elkaar afgestemde regelingen maakt dit mogelijk, en dat is gebaseerd op vertrouwen, dat veel meer ingeklonken is in de mensen dan men zich realiseert. Hoe kan het dat er nog mensen zijn die hun strippenkaarten afstempelen terwijl er nauwelijks controle te verwachten valt? Er is een enorm collectief aan normen en waarden waar iedereen in het groot of klein aan meewerkt en dat er voor zorgt dat er zoveel goed gaat. Ik wil niet even geruststellend spreken als Colijn, maar zo'n heel erg rampjaar is het nu ook weer niet. Pas als alle boekwinkels lid van het McDonald's-concern zouden zijn, als het Concertgebouw gesloopt zou worden voor een snelle verbinding tussen Zuid-Holland en Friesland en het Rijksmuseum omgebouwd zou worden voor de Leeuwarder randjongeren, zou je me horen klagen.

2002 was dus maar in een paar opzichten te vergelijken met 1672. Het volk had in 1672 zijn zinnen gezet op de tweeëntwintigjarige Oranje, die het niet kende maar die het domme voordeel van een heroïek voorgeslacht had. In 2002 ging het om een vijftigplusser met het voorkomen van een dertiger die zonder enige heldendaad in het verleden het blinde vertrouwen van een kwart van de bevolking won. De ene kwam aan de macht door een dubbele moord, de andere kwam niet aan de macht doordat hij vermoord werd, al lijkt het erop dat zijn invloed nu groter is dan hij bij aantreden ooit had kunnen bereiken.

Het Oranjehuis lijkt buiten de opwinding van dit jaar te staan, maar dat is slechts schijn. Het heeft in publicitair opzicht een succesjaar afgesloten dat te vergelijken is met dat van stadhouder Willem III. Wat de koningin als echtgenote niet lukte, lukt haar wel als weduwe en wat de kroonprins als vrijgezel niet bereikte, bereikt hij als verliefde jonggetrouwde. Als er begin 2002 een stadhouderloos tijdperk zou zijn geweest, zou de Oranjefamilie in dit jaar waarschijnlijk weer aangetreden zijn. Willem III maakte handig gebruik van de onvrede en verwarring om zich in de harten van zijn volk te dringen – ik zou niet willen beweren dat de Oranjes nu net zo geslepen handelen, maar de uitkomst is hetzelfde.

Het Republikeins Genootschap kan zichzelf net zo goed opheffen; voorlopig is er geen schijn van kans op een republiek en is de natie blij met deze vorm van schijnzekerheid. De ongebroken normen en waarden die zij uitstralen, zullen het land over de crisis heen helpen, daar vertrouwt men op en de koningin maakte zichzelf als standvastigheidsymbool waar in de kerstboodschap. Het zou van historische zelfkennis getuigen als we de koningin voortaan niet meer met die titel aanspraken, maar het stadhouderschap in ere herstelden. `Stadhouder' heeft niets te maken met het woord `stad', maar met `stedehouder'. We kennen die betekenis nog in de uitdrukking `in stede van', in plaats van. Een stadhouder is een plaatsvervanger van een andere, hogere macht. Die macht kunnen wij zelf zijn, de Nederlanders, de natie. Stadhoudster Beatrix, toekomstig stadhouder Willem Alexander, zou het een mooi doel zijn voor de komende regering om aan die betiteling een nationaal referendum te wijden? We zouden in een klap onze nationale geschiedenis in ere herstellen, de republiek terugkrijgen en toch het oranjesymbool handhaven. In 1795 vluchtte onze laatste stadhouder naar Engeland. Zouden we in 2003 het einde van een 208-jarig stadhouderloos tijdperk beleven?