De eeuwige dwaasheid der studenten

Met wankele tred, ingevallen kaken en ontstoken oogleden zwierden ze suizebollend langs de Leidse stegen. Met verbazing getuigde Willem Zandvoort (1817-?) `dat zij sedert acht dagen niet nuchter gezien zijn'. De koffiehuisknecht en sociëteitsbediende Zandvoort kon het weten: na de colleges togen de Leidse studentjes naar de kroeg waar Willem koffie of iets sterkers schonk en 's avonds kwam hij ze weer tegen in het pand van studentensociëteit Minerva aan het Rapenburg, waarvan wel gezegd wordt dat het de mooiste gracht van Nederland is.

De negentiende-eeuwse letterkundige Johannes Kneppelhout (1814-1885), die onder het pseudoniem `Klikspaan' het Leidse academieleven in de jaren 1830-1840 in kaart bracht, voerde Zandvoort op als informant om het drankmisbruik onder studenten aan de kaak te stellen. In fonkelend proza beschreef Kneppelhout in zijn Studentenschetsen jonge kerels die als `slaven des dranks' hun leven wegzopen. `Het staat goed zat te wezen', noteerde hij triest. Maar aan het eind van dit feestvieren en de wedstrijdjes wie de meeste glaasjes jenever kon doodslaan, lag de verslaving – de gewoonte die een behoefte is geworden; een afschuwelijke, langzame zelfmoord. De uit voorname geslachten afkomstige zuipende zonen waren een schande voor hun families en daarbij, zo wreef Klikspaan zijn beoogde lezerspubliek – studenten, maar ook ouders, voogden en hoogleraren – fijntjes in, verzaakten deze `rijkst gezegenden naar den geest' óók hun toekomstige maatschappelijke plicht: leidende figuren, voormannen van de samenleving te worden.

Niet alleen dronkelappen onder het studentenvolk, maar ook hoerenlopers, profiteurs (`klaplopers'), gesjeesde studenten (`afleggers'), de Leidse bevolking (`ondragelijke baliekluivers') en saaie hoogleraren (dicteermachines op twee benen) werden door Kneppelhout op de korrel genomen. Johannes Kneppelhouts pseudoniem Klikspaan was afkomstig uit het bekende kinderrijmpje, dat op charmant moraliserende wijze de vuile was van het gesloten Leidse academische wereldje buitenhing.

Hij werd geboren in een aanzienlijk en welgesteld Leids gezin. De vader overleed toen Kneppelhout nog een kleuter was. De treurende jonge weduwe bleef achter met twee zoontjes en werd door haar broer, een kort aangebonden gepensioneerde eerste luitenant die tijdens de Slag bij Waterloo (18 juni 1815) gewond was geraakt, met pedagogische raad en daad terzijde gestaan. Over de opvoedkundige kwaliteiten en invloed van deze wat strenge oom is weinig bekend. Kneppelhout schreef zelf dat het een belezen man was met een indrukwekkende boekenverzameling, die zijn neefje de liefde voor kunst probeerde bij te brengen. Geen kunst volgens het boekje, onderschriften bij tekeningen en schilderijen waren `zottigheden'. Je kon beter zelf goed naar het werk kijken en ontdekken wat de kunstenaar de aanschouwer wilde vertellen. Kneppelhouts kindertijd is deels gekleurd door deze oom, die op kasteel Zuylenstein bij Amerongen woonde.

Kneppelhouts kostschooltijd op `Noorthey', een nabij Voorschoten gelegen instituut voor jongens uit bemiddelde en aanzienlijke kringen, was van grote invloed op zijn karaktervorming. Weemoedig, liefdevol en dankbaar keek de schrijver van de Studentenschetsen terug op de periode dat zijn leermeester en leidsman Petrus de Raadt (1796-1862) hem op Noorthey had ingewijd in de klassieke en moderne literatuur, kunst en wetenschap. Vorming en beschaving stonden centraal in De Raadts pedagogische systeem, waarin overigens geen plaats was voor luiheid en nietsdoen. Voor de poorten van Noorthey hielden tucht en orde de wacht. Een dag op Noorthey begon vroeg, vijf uur in de zomer en zeven uur in de winter, en de jongens moesten voortdurend geestelijk of lichamelijk actief zijn: reguliere schoolvakken zoals klassieke en moderne talen, geschiedenis, aardrijkskunde, wis- en natuurkunde, werden afgewisseld met dansen, schermen en exerceren. Noorthey kende enerzijds een streng, bijna militaristisch opvoedingsklimaat, anderzijds kregen de leerlingen alle ruimte zich individueel te ontplooien. De Raedt en zijn medewerkers bekeken per individu de vorderingen, ontwikkelingen en vermogens en stemden daar het onderwijs op af. Deze persoonlijke aandacht wierp bij Kneppelhout naar eigen zeggen vruchten af: Noorthey had hem alles geleerd wat hij in zijn toekomstige leven nodig had.

In Leiden schreef hij zich in als rechtenstudent, maar hij voltooide deze studie niet. Het onderhouden van nauwe vriendschapsbanden met bekende negentiende-eeuwers als Nicolaas Beets en J.P. Hasebroek was belangrijker en nam veel tijd in beslag, evenals de opbouw van een overigens mislukte literaire carrière in de Franse taal.

Kneppelhout was een echte Bildungsbürger. Tegenwoordig heeft dit begrip in het Duits een soms wat negatieve klank, omdat het ook burgerlijkheid en beperktheid omvat, maar in de negentiende eeuw waren het lieden uit de betere en beschaafde standen, die zich bewust waren van de klassieke en moderne beschaving en cultuur en dit ook uitdroegen. Bij Bildung, een nauwelijks in het Nederlands te vertalen begrip, gaat het tevens om karaktervorming, zelfontplooiing en het kunnen verstaan van zichzelf in relatie tot de maatschappij. Zijn oom, die hem aanspoorde goed naar kunst te kijken en er zélf een oordeel over te vormen, en Petrus de Raedt, die zijn vooruitstrevende opvoedkundige inzichten in Duitsland, indertijd het Mekka van de wetenschappelijke pedagogiek, had opgedaan, stonden aan de basis van deze Bildungsbürger.

Het doel van een universitaire opleiding was – en is nog steeds – de overdracht van wetenschappelijke kennis, verrijkt met nieuwe inzichten. Het maatschappelijk nut van deze kennisoverdracht is duidelijk: een samenleving die zichzelf beschaafd noemt, heeft een voortdurende behoefte aan geneeskundigen, technici, juristen en zelf filosofen, theologen en tegenwoordig ook psychologen en pedagogen. Dit maatschappelijke nut was Kneppelhout niet genoeg, want het ging hem óók om Bildung. In de Studentenschetsen typeert hij de universiteit als `een brandpunt van wetenschappelijke beschaving'. Binnen de universiteitsmuren komen wetenschappen en kunsten bij elkaar. Welk oord, zo vraagt Klikspaan zich af, `welk tijdstip ware geschikter en doeltreffender, om den edelen trek van den jeugdigen mensch, blootgesteld aan de wrijving en den invloed zijner tijdgenooten, tot de hoogere volmaking zijns bestaans te bevredigen, hem af te doen dalen in zichzelven, in te wijden in de kennis van zijn eigen gemoed?'

Kneppelhout had al snel door dat de Leidse universiteit in geen enkel opzicht het niveau van Noorthey benaderde: saaie colleges, oninteressante hoogleraren, medestudenten die zich gedroegen als onverschillige, oppervlakkige en gemakzuchtige heertjes die papa's geld er doorheen draaiden en nooit eens een goed boek ter hand namen. Kneppelhouts idealisme en moralisme lijken op het eerste gezicht onverteerbaar, de ideale student bestaat nu eenmaal niet, maar door de literaire wijze waarop zijn alter ego Klikspaan de verhalen vertelt en commentaar levert, zijn de Studentenschetsen een lust om te lezen. Als een psycholoog analyseert hij vakkundig en soms hilarisch de onderscheiden typen studenten en hoogleraren. Bij zijn schildering van het academische milieu maakte Kneppelhout gebruik van informanten en medewerkers, die voor de smakelijke details zorgden. De schetsen, onderverdeeld in `studententypen', `studentenleven' en `de studenten en hun bijloop', geven een mooi portert van de alledaagse besloten academische wereld, waarvan Klikspaan de vuile was buitenhing.

Naar eigen zeggen was `Klikje' niet kwaadaardig of gevaarlijk: `Hij steekt als eene vlieg, niet als eene wesp, die een vergiftigd spoor nalaat. Niemand integendeel edelmoediger dan hij.' De scherpe pen van Bildungsbürger Kneppelhout was soms in venijn gedoopt, maar de studenten trokken zich uiteindelijk niets van zijn prachtig verpakte vermaningen aan. Gerrit de Clercq, rechtenstudent en een van Kneppelhouts medewerkers, maakte hierover in De Gids (1844) de tijdloze opmerking, dat de studentenwereld nooit een ideaal zou kunnen worden: `De academische jeugd is altijd jong en blijft altijd dezelfde verkeerd- en dwaasheden begaan, waarvan zich de individuus wel herstellen, maar waarin de massa telkens terugvalt, omdat ze telkens uit nieuwe individuus is samengesteld.'

Er is jarenlang gewerkt aan deze prachteditie van de Studentenschetsen en dat is er ook aan af te lezen. Elke passage uit een klassiek of buitenlands modern werk is vertaald en ook is vaak de herkomst van onbekende citaten achterhaald; soms wordt Klikspaan, die niet altijd even correct citeerde, verbeterd. De vele bekende en onbekende namen die terloops worden opgevoerd, van filosofen, hoogleraren, letterkundigen en politici, tot gewone mensen zoals de bediende Willem Zandvoort, gaan leven, omdat de bezorgers in de verklarende aantekeningen op de Studentenschetsen kort aangeven wie ze waren en wat hun rol is. Negentiende-eeuwse merknamen van reeds lang verdwenen toiletartikelen, kledingstukken, tijdschriften, studententaal en de toenmalige universiteitspolitiek worden nader verklaard.

Door het monnikenwerk van de bezorgers, die in tal van archieven en bibliotheken bronnen uit Klikspaans tijd hebben aangesproken, komt het alledaagse bestaan in de Academiestad tussen 1830-1840 voor de lezer tot leven. Met de bijgevoegde reproductie van de stadskaart is het mogelijk Klikspaan vingerlings te volgen op zijn tochten langs de grachten binnen de Leidse vesten. Op lange winteravonden is het leerzaam om met hem een college te volgen, een promotie bij te wonen of op de thee te gaan bij een professor. Onder het genot van een glas wijn wordt het ook nog behaaglijk, zonder dat Klikspaan zich zorgen maakt: `Vreest niet dat het mij lust, hier eene beschuldigende stem te verheffen tegen hen, die zich enkele malen in den vervrolijkenden wijn te buiten gaan.'

Klikspaan: Studentenschetsen. Studie-uitgave, verzorgd door Annemarie Kets, Mariëlle Lenders en Olf Praamstra. Constantijn Huygens Instituut, Den Haag 2002. Deel 1 / teksten 880 blz.), Deel 2 / Commentaar (683 blz.) Reeks Monumenta Literaria Neerlandica, Delen XIII, 1 en XIII, 2. ISBN 90-76832-06-4. Gebonden, € 90,-.

Het tijdschrift `De Negentiende Eeuw' (2002, nr. 3) publiceert een themanummer rond leven en werk van Johannes Kneppelhout. Aan bod komen Kneppelhout en de Franse letterkunde, de muziek, de universitaire context, de pedagogiek en de Studentenschetsen als historische bron. No. 3-4 / september 2002. Titel van dit themanummer: De wereld van Klikspaan. Kosten losse nummers: euro 11,50 Te bestellen bij: Werkgroep 19e eeuw, p/a J.H. van den Broekstraat 83, 3071 MB Rotterdam.