De bluf is voorgoed bezworen

Jarenlang gold Martin Verkerk (24) als het wispelturige talent dat maar niet volwassen wilde worden. Vorig jaar kwam de omslag en stapte de eens losbandige tennisser de tophonderd binnen. ,,Ik heb geen tijd meer te verliezen'', zegt hij aan de vooravond van de Australian Open.

Had hij kunnen weten natuurlijk. Op de vraag van een tv-verslaggeefster wat er voor Amerikaanse toeristen zoal in Alphen aan den Rijn te beleven valt, gaf hij een even ontwapenend als hilarisch antwoord: ,,Je kan beter naar Amsterdam gaan.'' Terug in Nederland volgde de onvermijdelijke terechtwijzing. Grijnzend: ,,Niet dat ze woedend waren, maar de boodschap was toch wel of ik mij voortaan iets positiever over mijn woonplaats wilde uitlaten.''

Was hij ruim vier maanden geleden in New York nog de onbevangen qualifier die verrassend doordrong tot het hoofdtoernooi van de US Open, als maandag over een week in Melbourne de Australian Open begint is Martin Verkerk voor het eerst in zijn carrière rechtstreeks toegelaten tot een grandslam. Het is, na zijn debuut in de Nederlandse Davis-Cupploeg, de bekroning van een seizoen waarin de rijzige tennisser (1 meter 91) een reuzensprong maakte op de wereldranglijst: hij steeg bijna honderd plaatsen en vindt zichzelf inmiddels terug op de 86ste plaats.

Vierentwintig is hij nu, maar Verkerk heeft al een heel leven achter de rug en wie hem hoort praten over `vroeger' en `nu' zou kunnen vermoeden met een door de wol geverfde veteraan van doen te hebben. ,,Vroeger wilde ik per se mooi winnen. Twee keer 7-6 was niet goed genoeg. Nu kan het mij geen reet schelen hoe ik win, als ik maar win.'' Want: ,,Ik ben geen twintig meer en heb dus geen tijd meer te verliezen. Ik heb zo noem ik het maar een tijdlang gespeeld, maar mag nu niets meer verspelen. Dat besef is doorgedrongen.''

Jarenlang gold Verkerk, vorige maand nog winnaar van het Nationale Masters-toernooi in Rotterdam, als het wispelturige talent dat maar niet volwassen wilde worden. Als de joviale flierefluiter die de verlokkingen van het leven naast de baan niet kon weerstaan en op kosten van zijn bemiddelde vader uitgroeide tot een karikatuur van een proftennisser. Een overmoedige hedonist die in zijn bijna grenzeloze naïviteit graag mocht roepen ,,ooit een bekende Nederlander'' te willen worden, maar vervolgens bij gebrek aan prestaties bleef steken in die wensdroom.

Meer dan eens ook beloofde Verkerk beterschap. Het kwam er, tot afgelopen jaar, niet of nauwelijks van. Schuldbewust: ,,Het besef dat het roer om moest was er wel. Alleen: ik was te gemakzuchtig en kon daarom geen invulling geven aan die noodzaak tot verandering. Ik blufte dus maar wat en dacht: als ik maar blijf roepen dat ik de zaken serieuzer ga aanpakken, dan komt die doorbraak vanzelf wel. Sterker nog: ik ging er zelf in geloven, in al die mooie praatjes en die grote mond. Ik dacht: ik kan tennissen, dat heb ik bewezen en dus komt het uiteindelijk wel goed, wat iedereen ook mag denken en beweren. Onbewust draaide ik mezelf een rad voor de ogen.''

Zijn losbandige verleden achtervolgt hem als een schaduw. Geen journalist immers die het heikele thema de voorbije maanden niet ter sprake bracht. Tot lichte ergernis van de tennisser met de verwoestende opslag. ,,Ik begrijp dat wel, dat terugblikken op mijn verleden, want ik heb natuurlijk ook een gedaanteverwisseling ondergaan. Maar zo langzamerhand weet ik het wel. Ik kan mezelf weer recht in de ogen kijken als ik voor de spiegel sta en zeggen: ik ben Martin en ik leef voor mijn sport. Waar ik me aan stoor is de verkapte suggestie dat ik vroeg of laat wel weer in mijn oude gedrag zal vervallen. Dat is een misvatting. Ik heb dat hoofdstuk al lang afgesloten, anderen kennelijk niet. Of ik daarom ooit nog van dat imago afkom? Ik weet het niet. Ik kan het alleen maar hopen. Buiten de baan ben ik nog altijd een hele gezellige jongen met wie je een leuk avondje kan stappen. Maar zulke avonden zijn vandaag de dag een zeldzaamheid.''

Alsof hij de laatste twijfel weg wil nemen, wijst Verkerk op zijn ,,sterk verbeterde houding'', zowel op als naast de baan. ,,Er gaat geen dag voorbij of ik hou mezelf voor dat ik mezelf moet en zal verbeteren. Dat betekent tijdens toernooien niet alleen spelen, maar vooral ook trainen. Dat vergt mentale kracht. Ik kan niet leven in het heden, ik moet verder kijken. Het is constant werken en sleutelen aan de toekomst, want ik heb nog veel te verbeteren: mijn forehand, mijn volleys, mijn voetenwerk. Mensen die desondanks nog altijd beweren dat ik een levensgenieter ben voor wie tennis maar bijzaak is, weten niet waarover ze praten. Met flierefluiten stap je echt de tophonderd niet binnen.''

Ook de suggestie als zou hij een zondagskind zijn, bestrijdt Verkerk te vuur en te zwaard. Fel: ,,Het is me niet aan komen waaien, integendeel bijna. Ook ik heb d'r hard voor moeten werken. Ik heb lang tegen een onzichtbare muur aan lopen beuken. Dat ik die nu eindelijk heb weten te doorbreken, is een opluchting, ja, een bevrijding zelfs. Want natuurlijk heb ik de laatste jaren wel eens getwijfeld. Iedereen riep wel: kom op, je hebt het talent, het gaat je lukken. Dat is allemaal leuk en aardig, maar het moet wel gebeuren. De tophonderd was altijd een droom. Nu het eenmaal zover is, denk ik: ik hoor er ook echt bij. Ik zal d'r nog wel eens uitsodemieteren, maar ik heb de wapens én de mentaliteit voor een plaats bij de beste honderd tennissers ter wereld. Dat besef beschouw ik als een enorme overwinning.''

Verkerk heeft, en hij kan het deze middag niet vaak genoeg benadrukken na zijn training in het Frans Otten-stadion, leergeld betaald. Zelfbewust is hij, maar verwacht van hem geen doldrieste voorspellingen. Bedachtzaam: ,,Je zal mij niet meer betrappen op uitspraken als: let maar op, over twee jaar sta ik in de topvijftig. Dat is natuurlijk wel het doel. Maar dat moet en dat ga ik niet van de daken schreeuwen, dat moet ik laten zien. En zo niet, dan moet ik vooral mijn mond houden.''

Toch wordt hij soms, heel soms, overvallen door dat ene, bijna beklemmende gevoel: was hij maar eerder tot het inzicht gekomen dat topsport een monomane aanpak vereist. Aarzelend: ,,Het is in mijn geval bijna onvermijdelijk, maar zodra dat soort gedachten opkomen, probeer ik ze zo snel mogelijk weer weg te drukken. Ik ben een laatbloeier. Ik kan wel gaan zitten kniezen over zogenaamd verloren jaren en `had-ik-maar-zus-of-zo of had-ik-maar-dit', maar dat heeft totaal geen zin. Dat is negatieve energie, zonde van mijn tijd. Het is ook niet helemaal waar, want ook toen trainde ik hard en ook toen heb ik resultaten neergezet, zij het en dat is het grote verschil niet met grote regelmaat.''

Nee, de rasoptimist in hem signaleert vooral voordelen in de relatief late ontbolstering. Stellig: ,,Ik weet nu hoe het niet moet. Bovendien: ik ben nog lang niet opgebrand. In tegenstelling tot vele anderen is tennis voor mij nog een hobby, geen werk. Het geld dat ik daarmee verdien is leuk, maar niet meer dan een prettige bijkomstigheid. Al hoop ik dat wel binnen tien jaar financieel onafhankelijk te zijn. Natuurlijk was het verstandiger geweest om op m'n twintigste alle adviezen uit mijn directe omgeving ter harte te nemen en zo in het leven te staan als ik momenteel doe. Maar wie zegt mij dat ik dan op m'n 26ste nog gretig was geweest?''

Vader Wim Verkerk trad jarenlang op als zijn vrijgevige privé-sponsor. Vaker dan de inmiddels gepensioneerde directeur van een afval- en recyclingbedrijf lief was, werd hij geconfronteerd met zijn vermeende spilzucht en, in het verlengde daarvan, de mentale tekortkomingen van zijn zoon. ,,Mijn vader heeft heel lang moeten horen dat hij zijn geld in een bodemloze put smeet. Een paar keer heeft hij gedreigd en achteraf gezien terecht de betalingen stop te zetten. Dat heeft hij uiteindelijk niet gedaan, omdat hij vertrouwen in mij bleef houden. Het afgelopen jaar was daarom ook voor hem een enorme overwinning.''

Dank gaat ook uit naar Nick Carr, de Nieuw-Zeelandse coach wiens hulp Verkerk ruim een jaar geleden inriep. ,,Het is moeilijk aan te geven wat Nick precies gedaan heeft, maar feit is dat hij bij mij de juiste snaar heeft geraakt. Hij is streng maar rechtvaardig, laat mij hard trainen en is buiten de baan als een vriend. Het is een open deur, maar hij is de juiste man op de juiste plaats. En in mijn geval kwam hij ook op het juiste moment in mijn leven, ook al kende ik hem al een tijdje.''

Blijft één probleem: zijn afkeer van vliegen. Hij is geen Dennis Bergkamp, de door vliegangst geplaagde stervoetballer van Arsenal die om die reden al jaren verre reizen mijdt. Maar zet Verkerk in een vliegtuig en het angstzweet staat op zijn voorhoofd. Het is de paradox in zijn leven, want snelheid fascineert hem en als het even kan, drukt hij het gaspedaal van zijn zilvergrijze BMW tot de bodem toe in. ,,Het is pure stress, veroorzaakt doordat ik ooit in een vliegtuig zat dat werd getroffen door hevige turbulentie. Daarbij komt dat ik een controlfreak ben, een mannetje dat zelf graag de touwtjes in handen heeft. Een proftennisser ontkomt niet aan vliegen, al zou ik willen dat het anders was.''

Hetzelfde geldt voor de erkenning in eigen land. ,,Een plaats in de tophonderd wordt in Nederland nauwelijks gewaardeerd. Kijk naar Sjeng Schalken. Die heeft het afgelopen jaar waanzinnig gepresteerd, met een kwartfinaleplaats op Wimbledon en een halvefinaleplaats bij de US Open. Hij staat nu vijftiende op de wereldranglijst. Maar waardering ho maar! Hij zat laatst niet eens bij de beste drie in de verkiezing `Sportman van het Jaar'. Niets ten nadele van die andere genomineerde sporters, maar dat vind ik onbegrijpelijk. Ik wil mezelf ook niet ophemelen en hoef zeker niet op een voetstuk, maar het is veelzeggend dat ik bijvoorbeeld nog nooit sportman van Alphen ben geworden.''

Wat hij naar eigen zeggen ook nooit zal worden: een egocentrische prof die, reizend van het ene naar het andere luxueuze hotel, geen oog heeft voor de wereld om zich heen. ,,Het is er niet veiliger op geworden. Het is niet zo dat ik met knikkende knieën op de baan sta, maar ik ben me wel degelijk bewust van de gevaren zodra ik waar dan ook ter wereld een toernooi moet spelen. Dat heeft ook voordelen. Vroeger werd ik gek na drie gemiste ballen, nu denk ik: waar maak je je druk om? Een vriend van me is onlangs op dertigjarige leeftijd overleden aan de gevolgen van kanker. Dan word je heel klein en stil. Jarenlang hoopte ook hij dat ik de tophonderd zou bereiken. Toen het zover was, was hij er niet meer. Dat doet niet alleen pijn, dat doet je eens temeer beseffen hoe bevoorrecht je bent. Dat doe ik ook, zonder de sport overigens kapot te relativeren. Want dat is fnuikend.''