Bezemen in de Sahel

De belangrijkste hominide-vondst sinds 1925 werd gedaan door de wind, een student en zijn chauffeur. In de Tsjaadse woestijn lag Sahelanthropus, een mensachtige van zes à zeven miljoen jaar oud. Een verslag uit het zand, en op pagina 35 zet paleontoloog Fred Spoor de schedel in perspectief.

`Het meeste werk doet de wind. Die verplaatst in het voorjaar hele duinen en legt vlaktes bloot die eeuwen lang bedekt waren.' Aan het woord is Djimdoumalbaye Ahounta, de Tsjaadse student die vorig jaar de schedel ontdekte van Sahelanthropus tchadensis, het oudste fossiel (6 à 7 miljoen jaar) van een hominide: een mensachtige aap dan wel een aapachtige mens. De publicatie in Nature (11 juli 2001) was vorig jaar wereldnieuws: de belangrijkste vondst sinds Australopithecus africanus (1925). Vanwege de wind vinden zoektochten in de Tsjaadse woestijn vooral plaats in de zomer. Sahelanthropus werd gevonden op 19 juli, op een dag dat het in de woestijn 56 graden Celsius was.

Net als andere dagen waren de onderzoekers 's morgens om half zes opgestaan en een uur later gaan lopen. Djimdoumalbaye: ``Ieder van ons loopt dan altijd in een verschillende richting. Na een half uur zag ik tussen de zwarte stenen in het zand iets rooiigs liggen. Een kaak, met de tanden omhoog. Waarschijnlijk van een soort varken, zoals we er in die buurt al eerder hadden gevonden, dacht ik. Ik hurkte, maakte het bot los uit het zand, en had toen een hele schedel in mijn hand. Toen ik hem omdraaide, keek ik in twee ogen. Ik dacht aan een grote aap, 6 à 7 miljoen jaar oud, want dat is de leeftijd van het gebied dat we onderzochten. Dat was al zo bijzonder dat ik de eerste tien minuten alleen ben gebleven om mijn emotie de baas te worden. Daarna zwaaide ik naar Fanone, die het dichtst in de buurt was. Het duurde een tijdje voor hij bij me was. Toen bekeek hij de schedel en zei: het is geen aap. Het is een mens.''

Wat hij ook was, de vondst van Sahelanthropus heeft de bestaande theorieën over de vroegste evolutie van de mens op zijn kop gezet. De afstamming van Australopithecus (4,5 tot 2 miljoen jaar oud) is niet langer vanzelfsprekend. En voor het huidige Tsjaad nog veel belangrijker: Oost- en Zuidelijk Afrika is zijn monopolie op aapmensfossielen kwijtgeraakt. De Djurabwoestijn is nu ineens centrum van paleontologische aandacht. Dat is wetenschappelijk gezien bijzonder, maar voor de inwoners van Tsjaad, die weten dat hun land in de wereld van de allergeringste betekenis is, is deze wending een bron van hoop. President Idriss Deby voelde dat goed aan toen hij de vondst van 19 juli meteen Toumai doopte, dat wil zeggen Hoop op leven.

De Djurab zelf kent weinig leven en is ver van bewoonde wereld. In de wijde omtrek van vindplaats TM266, waar 7 miljoen jaar geleden varkens en olifanten rond schuierden en waar planten, vissen en krokodillen leefden, is nu helemaal niets. De nomaden die er met hun karavaans van kamelen en vee op vaste tijden in het jaar doorheen trekken, zijn in die zware omstandigheden opgegroeid. Maar de vier mensen die deelnamen aan de missie in juli 2001 zijn dat niet. Behalve Djimdoumalbaye Ahounta waren er Fanone Gongdibe, technisch modellenmaker en net als Djim uit het groene zuiden van Tsjaad afkomstig, Mahamat Adoum, chauffeur, kok en onderzoeksassistent, en de Franse geograaf Alain Beauvilain. Er kwam geen paleontoloog aan te pas.

Het veldonderzoek maakt deel uit van het werk van de Mission Paleoanthrologique Franco-Tchadienne (MPFT), waarvan Michel Brunet, hoogleraar aan de Universiteit van Poitiers, wetenschappelijk directeur is. In Tsjaad is de paleontologie nog maar net begonnen. In het Frans-Tsjaadse project werkt een in Poitiers gepromoveerde paleontoloog, die zo'n ingewikkelde verklaring heeft voor zijn keuze voor olifanten als specialisatie dat het zijn spijt niet kan verhullen. De meest ervaren veldonderzoeker in Tsjaad is Fanone. Hij heeft een aantal jaren sociale wetenschappen gestudeerd in Kameroen en was al te oud, voorbij 40, om een beurs in Poitiers te kunnen krijgen toen de samenwerking met die universiteit begon. Maar hij heeft honderden fossielen geprepareerd, dertig tochten gemaakt en kennis vergaard van de buitenlandse wetenschappers die er soms bij waren. Fanone zag meteen wat vooraanstaande paleontologen uit de hele wereld nu al langer dan een jaar bediscussiëren: dat Toumai's kiezen op die van mensen leken, omdat ze groter en ronder zijn dan die van apen.

Djimdoumalbaye begon en paar jaar geleden aan een studie medicijnen aan de universiteit van Ouagadougou, in Burkina Faso. Na een tijdje was zijn geld op en moest hij terug naar Tsjaad. Daar kon hij natuurwetenschappen studeren. Maar toen hij zijn kandidaats binnen had, werd hij ziek, en ging zijn geld op aan medische zorg. Hij staakte zijn studie en ging klussen voor de MPFT. Daar werd zijn enthousiasme gewaardeerd, maar er was geen geld om hem in dienst te nemen. Tot augustus 2002 werd hij per dag betaald. Daarom maakt en verkoopt hij ook sieraden van koeienhoorn.

Soms gaan paleontologen van Poitiers of andere westerse universiteiten mee op de woestijnmissies. Dan is de groep groter, is er meer geld en wordt er overnacht in legertenten. ``En dan bepalen zij waar we zoeken. Op geen van die tochten is ooit iets bijzonders gevonden. Ze zoeken steeds op de verkeerde plekken'', stelt terreinman Beauvilain kwaadsappig vast. Hij werkt sinds 1989 in Tsjaad als adviseur van het Centre National de Recherche (CNAR), waarbij de MPFT is ondergebracht. Hij is in dienst van het Franse ministerie van ontwikkelingssamenwerking en niet van Brunet. Tussen de beide Fransen botert het niet. Beauvilain wil graag genoteerd zien dat de 3,5 miljoen jaar oude schedel van Australopithecus barhelghazali, die in 1995 in Tsjaad werd gevonden, door chauffeur Mamelbaye Tomalta is ontdekt, niet door Brunet (die dat wel claimt). En, als we toch bezig zijn, ook dat Yves Coppens, die in 1974 schedel Lucy gevonden zou hebben, toen niet eens ter plekke was.

Sinds 1999 zijn de grote missies in de Djurab samen met Poitiers gestopt, omdat rebellen de regio onveilig maken. De geograaf Beauvilain en de Tsjaadse onderzoekers gaan intussen met minimale middelen door. Ze slapen zonder verweer tegen zandstormen buiten op stretchers (wegens schorpioenen), eten wekenlang sardines en het brood dat ze de eerste dag meenamen. Soms komen er nomaden langs, die melk aanbieden in ruil voor suiker. Maar er wordt niet in hun buurt gebivakkeerd, want ``je weet niet met wie je te maken hebt''. Op veiligheid kan niemand in Tsjaad rekenen, ook vijftien jaar na de oorlog niet. Mahamat neemt vijf liter water per persoon per dag mee, voor drinken en wassen. ``De een wast zich twee keer per week, de ander eens in de twee weken.''

Maar dat vinden ze geen ontbering: ``'s Nachts is de temperatuur dichtbij het vriespunt. Je wilt je niet eens wassen.'' Djimdoumalbaye: ``Je maakt zo'n reis niet om de schoonheid van de woestijn te ontdekken. Je moet hard werken, anders kan je je heel eenzaam en ellendig voelen.''

Soms begint het werk met het bezemen van de Sahel, meter voor meter, met gewone huishoudbezems. De oppervlakten die zijn afgewerkt worden gemarkeerd met gebruikte plastic waterflessen, gevuld met zand. De blauwe doppen op regelmatige afstanden in het roze zand veranderen de vlakte in een dambord dat Dali had kunnen schilderen. Een onwezenlijke omgeving waarin de grote vriendschap gedijt tussen Djim (christen) en Mahamat (islamiet), die elkaar in N'Djamena buiten werktijd niet zien maar zich 's avonds in de woestijn samen op hun buik van de duinen laten glijden.

Op 19 juli 2001 zouden de vier mannen eigenlijk teruggaan naar de hoofdstad. De voorraad water was bijna op. Maar het was magere missie geweest. ``Op de avond van 18de was iedereen moe'', zegt Djim. ``Alleen Mahamat en Fanone beklommen nog een duin, om te zien hoe het er aan de andere kant uitzag. Ze zagen veel zwarte stenen, dat werd vindplaats nummer TM266.'' De missie werd nog een dag verlengd, met roem en rijke dromen als gevolg. ``Na Toumai hebben we daar de hele dag echt alle stenen omgedraaid.'' Aan de nacht van de 19de bewaren ze slechte herinneringen. Door een zware zandstorm was slapen onmogelijk. Daarna kostte het drie dagen van hotsen over hard zand en graven om de auto los te krijgen uit zacht zand om thuis te komen. Toumai bleef ongedeerd. Die was niet als de gewone fossielen in roze wc papier verpakt, maar in watten gewikkeld.

oploskoffie

Ook daarna kreeg de schedel van Sahelanthropus een speciale behandeling. Normaal worden de vondsten schoongemaakt in het `atelier' van het Centre National de Recherche met wat er uitziet als roestige, kromme tandartsapparatuur. Dat gebeurt op het aanrecht, naast de gasfles waarop een metalen potje met water staat voor de oploskoffie. De onderkant van de fossielen wordt ingesmeerd met lijm, waarna ze op houten stellingen worden weggelegd. Maar Toumai vertrok meteen naar Poitiers. Daar zijn kopieën in hars gemaakt, voor eigen gebruik, voor de perspresentatie in Frankrijk en een is er aangeboden aan president Deby. Tot grote woede van Beauvilain en verlegenheid van Tsjadische medewerkers heeft het CNAR geen kopie ontvangen. Gevraagd naar de reden daarvoor laat Brunet weten dat in Poitiers ``nu een lange fase van wetenschappelijk werk begint'' en dat gedurende die tijd de schedel ``slechts kan worden toevertrouwd aan wetenschappers''. Niet aan de lieden in N'Djamena dus. Dat hetzelfde zou gelden voor een kopie moet uit een magisch geloof voortkomen.

Sinds Sahelanthropus tchadensis er is kunnen Brunet en Beauvilain elkaars bloed drinken. Het conflict gaat inmiddels niet meer alleen om eer en fatsoen, maar ook om geld, om het publicatierecht van de foto's die Beauvilain op zijn 28 missies heeft gemaakt, en waarvoor tijdschriften vele tienduizenden euro's willen betalen. Zijn ze van hem of van de MPFT die Brunet bestiert?

Desondanks wordt de hoop die Toumai biedt in Tsjaad vooral gezien als hoop op verzoening – een thema dat in het gespleten Sahelland maar niet slijt. In ingezonden brieven wordt gezwijmeld dat Toumai, de voorouder van alle mensen, dus ook de gezamenlijke voorouder is van de Islamitische nomaden in het noorden en de Christelijke boeren in het zuiden, die nu dus meer reden dan ooit hebben om elkaar na decennia van geweld als broeders te accepteren. Ook worden in heel Tsjaad sinds vorig jaar scholen, bedrijfjes en verenigingen Toumai gedoopt, door voorzitters en eigenaars die vinden dat ook hun anonimiteit lang genoeg heeft geduurd. Djimdoumalbaye heeft aan zijn gelukkige greep eindelijk een vaste aanstelling bij het CNAR te danken, en een studiebeurs voor Poitiers.

    • Dorrit van Dalen