Wraak op het torentje

Aan het vernieuwde Van Abbemuseum van architect Abel Cahen ging een rampspoedige bouwgeschiedenis vooraf. ,,Ik heb het museum voor de deuren van de hel moeten wegslepen.''

Als twee kwajongens wurmen de architect en de museumdirecteur zich in het pretparkwagentje van het model lachende big. Het rondrijdende treintje hoort bij een installatie van de Amerikaanse kunstenaar Jason Rhoades. Een druk op de knop en de installatie, die het midden houdt tussen een multimediale disco-attractie en het laboratorium van professor Sickbock, komt tot leven. Schots en scheve tl-buizen flitsen aan met rode, blauwe en gele lichtlijnen. Op een twintigtal monitoren beginnen videospelletjes te razen. Onophoudelijke beweging, schittering, verleiding, opwinding, alle elementen uit de wereld van entertainment zijn in deze wonderbaarlijke montage samengebracht. Zij vormen een reusachtig, compact kunstwerk dat met een klassiek beeldhouwwerk gemeen heeft dat je er omheen kan lopen. Zo'n beeld had Jason Rhoades voor ogen toen hij in de studiozaal in de kelder van het nieuwe Van Abbemuseum in Eindhoven de installatie SLOTO , `The Secret Life of the Onion' construeerde. Maar er omheen lópen, vond de uit Los Angeles afkomstige, voormalige ondernemer in de uien-industrie Rhoades te gewoon. Daarom legde hij rondom het beeld een lus van enkel smalspoor voor het guitige, tweedehands bezoekerstreintje uit Disneyland.

Daar gaan zij, met blikkerig gedender, de armen om elkaars schouders in het varkentje met de stralend blauwe ogen: Abel Cahen en Jan Debbaut, de architect en de directeur van het `nieuwe' Van Abbemuseum. Het rondritje duurt maar een paar minuten, lang genoeg voor de twee onhandig uitgelaten heren om het als een triomftocht te ervaren.

Tien jaar lang hebben Debbaut (1949) en Cahen (1934) gewerkt aan de museumuitbreiding en de renovatie van het bestaande gebouw van architect A.J. Kropholler uit 1936. Tien jaar van ontwerpen, verwerpen, procederen, stagnatie en ten slotte, van april 2000 tot en met 2002, bouwen. Koningin Beatrix zal het nieuwe museum op 17 januari openen.

Cahens eerste ontwerp, gepresenteerd in de voorzomer van 1991, verdween in 1996 definitief in de prullenbak nadat de rechter een langlopend geschil beslechtte tussen de opdrachtgever, de gemeente Eindhoven, en de Henri van Abbestichting. De stichting vond dat het oorspronkelijke gebouw van Kropholler te rigoureus onder de verticaal gestapelde nieuwbouw werd bedolven. Vooral de opoffering van het karakteristieke, plompe torentje was een wandaad die te vuur en te zwaard werd bestreden. Toen tijdens de bezwaarschriften-oorlog het Kropholler-gebouw tot rijksmonument werd verklaard, koos de rechter de kant van de stichting.

Het was de nekslag voor Cahens eerste uitbreidingsplan. Een jaar van werkloosheid volgde voordat de architect opnieuw met tekenen kon beginnen. Na veel vijven en zessen was een stuk grond achter het Kropholler-gebouw aangekocht waardoor een uitbreiding in horizontale richting tot aan het riviertje de Dommel mogelijk werd.

De lange lijdensweg lijkt het verbond tussen de Vlaamse Bourgondiër Debbaut en de joodse Nederlander Cahen alleen maar sterker te hebben gemaakt. Met buitenlandse museumreizen, eindeloze discussies en twistpartijen bewaarden zij in al die jaren het geloof in de toekomst van een uitgebreid en herboren Van Abbemuseum. Hun uithoudingsvermogen is beloond met een architectonisch en museaal meesterwerk.

Bakstenen voorgevel

In tegenstelling tot zijn eerste ontwerp heeft Cahen-2 het bakstenen museumgebouw van Kropholler van buiten ongemoeid gelaten. Ook de ingang van het nieuwe Van Abbemuseum is gebleven waar hij was: onder het torentje precies in het midden van de strenge, nagenoeg blinde, bakstenen voorgevel. In het gewelfde portaal, waar Krophollers bakstenen heerschappij weliswaar totalitair maar niet drukkend is, vertelt Jan Debbaut dat hij van meet af aan Abel Cahen als architect voor de renovatie en uitbreiding op het oog had. Toen hij in 1988 Rudi Fuchs opvolgde als directeur gaf hij te kennen dat uitbreiding van het museumgebouw van Kropholler in de toekomst onvermijdelijk was. Debbaut: ,,Feitelijk was het Kropholler-gebouw niet meer dan een kunsthal met kisten in de kelder, bij wijze van depot. Tien mooie daglichtzalen aan elkaar geregen in een helder parcours. Meer niet.''

De gemeente Eindhoven was ontvankelijk voor de uitbreidingsplannen en vroeg de nieuwe directeur een architect voor te dragen. Debbaut aarzelde niet: ,,Voor de keuze van Abel Cahen had ik allerlei redenen. Het ging om de verbouwing van `Kropholler' uit 1936, dus moest het een architect zijn met ervaring in nieuwbouw in combinatie met oudbouw. Cahen had toen net, eind jaren tachtig, het gebouw van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek in de historische binnenstad van Amersfoort ontworpen. Daarbij integreerde hij op heel mooie wijze oude panden in nieuwbouw.''

In het gelig gefilterde licht onder de koepel van Kropholler geeft Debbaut nog meer motieven voor de keuze van Cahen. Na het nieuwe Groninger Museum, ontworpen door de Italiaan Mendini, en het nieuwe Bonnefantenmuseum van de Italiaan Rossi in Maastricht, vond Debbaut dat in Eindhoven een Nederlandse architect aan de slag moest gaan. En een die nog nooit eerder een museum had gebouwd. Debbaut: ,,Zodat wij gezamenlijk konden uitvissen wat een museum moet zijn. Daarom wilde ik ook een architect met liefde voor de moderne kunst en eentje die een museumgebouw wil maken dat dienend is aan de kunst. Net als Kropholler heeft gedaan. Dus geen architectuur die met de ellebogen werkt, die de kunst opzij duwt.''

Gelukkig kon de gemeente Eindhoven zich volledig met de keuze van Abel Cahen verenigen. Maar dat was ongeveer het enig werkelijk voorspoedige in de bouwgeschiedenis van het nieuwe Van Abbemuseum. ,,Ik heb het museum voor de deuren van de hel moeten wegslepen'', zegt Cahen in de witte traphal, die hij inventief situeerde in een van de twee kleine binnenhoven van het Kropholler-gebouw. ,,Ik heb de reputatie van lastpak, een architect die koste wat kost zijn ideeën wil uitvoeren. Tot op zekere hoogte is dat zo. Ik ben in het vak grootgebracht in een tijd dat het woord compromis een vloek was. Zonder Jan Debbaut had ik het museum niet kunnen bouwen. Op een gegeven moment werd gedreigd dat ik het veld moest ruimen. Tijdens een bouwvergadering is Debbaut toen opgesprongen: `Jullie begrijpen niet wat hij aan het doen is', schreeuwde hij en barstte in tranen uit.''

Cahen trekt een tragikomisch gezicht. De trap waarvan de treden zijn bekleed met zwart terrazzo, stroomt als een waterval naar beneden en overbrugt het niveauverschil tussen het oude gebouw en de nieuwe Cahen-vleugel. Als antwoord op de koepel van Kropholler heeft de traphal ook een koepel gekregen, een groot licht vierkant van melkglas met een spinnenweb-achtig lijnenpatroon.

Bordessen

Krophollers geconcentreerde karakter van de bovenlichtzalen en het heldere circuit keren terug in het ontwerp van de nieuwe vleugel. Ook hier witte zalen met mooi diffuus bovenlicht. Alle technische installaties zijn achter muren, boven plafonds, onder plinten weggewerkt. Toen tijdens de rondgang toch ergens in een zaal een klein brandmeldertje op de muur bleek geschroefd, schoot Debbaut naar voren om het gifgroene mormel met gespreide hand te bedekken. ,,Dit wordt morgen verwijderd'', verzekerde hij.

Het bewaard gebleven torentje van Kropholler staat symbool voor het sneuvelen van Cahens eerste uitbreidingsplan. De nieuwe Torenzaal kan dan ook niet anders dan als een wraakoefening worden opgevat. Een tegenzet die het hoogtepunt van het nieuwe Van Abbemuseum is geworden.

Cahen: ,,Je kunt een museum maken met de prachtigste zalen dat toch een saai museum is. Ik heb geprobeerd hier een afwisselend, ruimtelijk ensemble te componeren. Er is het dienende museum met serene zalen en grotere en kleinere kabinetten en er is het museum dat architectonisch een uitdagender vorm aanneemt. Dat is de Torenzaal.''

Het verticale museum is gebouwd rondom een vide van 27 meter hoog. Naar boven toe verwijden de schuine wanden zich om ten slotte te worden afgedekt door een reusachtig vierkant dak dat in het horizontale vlak dezelfde graad van schuine verdraaiing heeft als de wanden in het verticale vlak. Kortom een aan alle kanten scheefgetrokken bouwvolume waarvan de blinde buitenkant nog spectaculairder is als je ook de binnenkant hebt gezien: een vide met een cascade van verspringende bordessen en met open trappenhuizen die in hun grafische, neerdalende belijningen doen denken aan de trappen van Berlage in de hal van het Haags Gemeentemuseum.

De Torenzaal, die vanuit de top licht ontvangt door een verticaal hoekvelum, roept associaties op met de zeventiende-eeuwse kerkinterieurs van de schilder Saenredam. En wie ooit de Grote Moskee van Samarra in Irak heeft bezocht, of er een plaatje van heeft gezien, herkent in de omhoog spiralende omgang aan de buitenkant van de minaret wat Abel Cahen aan de binnenkant van zijn Torenzaal heeft nagestreefd. Op elke hoogte een ander zicht, naar boven, naar beneden en op de kunst.

Debbaut: ,,Ik snapte die toren eerst niet. Kon me hem ruimtelijk niet voorstellen. Tegen Abel zei ik: wordt het niet te radicaal. Hij heeft een maquette gemaakt en toen kon ik er van bovenaf in kijken en dacht `Wauw'. Nu vind ik het met de Studiozaal de meest unieke verworvenheid van het nieuwe museum. Twee keer per jaar zullen wij een kunstenaar vragen zich door de architecturale ruimtes van Cahen te laten inspireren. Douglas Gordon is de eerste die de uitnodiging voor de Torenzaal heeft aangenomen en er een installatie voor gaat maken. De Studiozaal in de kelder waar Jason Rhoades nu zijn installatie heeft gebouwd, is architectonisch juist niet gearticuleerd. Meer een lege loods waar kunstenaars in alle rust een tijdje kunnen werken, met of zonder publiek. Doe je de deur dicht dan onttrek je de zaal ongemerkt aan het circuit. Dat is met de Torenzaal niet mogelijk, die opent zich permanent naar alle kanten, op alle niveaus met steeds weer andere beelden.''

Felle kleuren

De tijdloze architectuur van Abel Cahen die in zwart, wit en grijs is uitgevoerd, wordt op een aantal plekken door felle, primaire kleuren doorbroken. Het interieur van de bibliotheek, de museumwinkel, het restaurant, het auditorium en de educatieve ruimte die vooral door kinderen zal worden gebruikt, zijn ontworpen door de Belgische vormgever Maarten van Severen (1957). De strakke, bijna minimalistische interieurs, gecombineerd met de kleuren, zijn verrassende explosies in de uitgekristalliseerde bouwkunst van Cahen. Dankzij de uitgewogen dosering scharen de vormen en kleuren van Van Severen zich eerder bij de kunstwerken dan bij de architectuur. Dat zal ook de bedoeling van Jan Debbaut zijn geweest toen hij de vermaarde Belgische ontwerper, die veel samenwerkt met Rem Koolhaas, de opdracht verleende.

Wat zich wel aan de architectuur hecht is het water van het riviertje de Dommel. Dat het verworven stuk grond waarop het tweede uitbreidingsplan kon worden gebouwd aan de Dommel grensde, was een godsgeschenk. Door de loop van het snelstromende riviertje enigszins te verleggen, kon er een vijver ontstaan die de drie losse bouwdelen van het nieuwe Van Abbe op een natuurlijke manier met elkaar verenigt. De Cahen-vleugel, van buiten bekleed met grijs leisteen uit Lapland, rijst nu majesteitelijk op uit het water en wordt erdoor weerspiegeld. En het elegante, halfronde terras van het museumrestaurant scheert er elegant overheen. Een geluk dat de Henri van Abbestichting tot voor de rechter voet bij stuk hield.

Het nieuwe Van Abbemuseum in Eindhoven is vanaf zondag 19 januari open. Di t/m zo 11-17 u.