Wat moet die vent hier?

Een Nederlandse Cubaan gaat op vakantie in zijn vaderland. Zijn landgenoten hebben er moeite mee. `Vriend, wat doen we hier?'

Juan was nog niet op de nieuwe luchthaven van Varadero geland of het gedonder begon. ,,Wat moet dat in die taxi?'' De eerste botsing deed zich voor op de snelweg, nog voor de brug die het schiereiland Hicacos van de rest van het land scheidt. De agent nam zijn paspoort in ontvangst met dreigende blik. Juan zuchtte vermoeid en wist niet dat er diezelfde ochtend, na bijna tien uur vliegen vanaf Amsterdam, nog twee diepe zuchten en een woedeaanval in het verschiet lagen. Woede die hij nooit meer zou kwijtraken.

Hij was niet terug geweest sinds 1997, het jaar dat hij met Ineke was getrouwd en in Nederland kon gaan wonen. In deze winter van 2002 hadden ze genoeg geld gespaard voor een weekje strand en een weekje Havana met ooms, neven en nichten. Ineke zou morgen komen vanuit Mexico, waar ze was voor een congres. ,,Als we samen hadden gereisd, was mijn taxi niet aangehouden'', zei hij in zichzelf en klakte met zijn tong.

De volgende diepe zucht slaakte hij bij de receptie van het hotel dat ze via internet hadden gereserveerd. Een van de baliemedewerksters, met asblond geverfd haar waarin de zwarte haarwortels doorschemerden, zag hem aankomen. Ze keek naar hem alsof er net een buitenaards wezen was geland. Ze draaide zich om naar haar collega en zei:

,,Wat moet die hier?''

,,Een klant, domme gansjes!'' riep hij.

Het andere meisje haalde haar schouders op. Juan pakte kalm zijn hotelvoucher uit zijn tas en glimlachte uitgebreid naar het geüniformeerde nepblonde koppel. Zonder een woord overhandigde hij de papieren aan de meest verbouwereerde. Ze stond net op het punt de bewaker bij de ingang ter verantwoording te roepen voor het binnenlaten van een landgenoot. Op dat moment arriveerde de Spaanse manager en vroeg wat er aan de hand was.

,,Uw medewerksters lijken moeilijk te kunnen geloven dat er een zwarte Cubaan in uw hotel logeert'', antwoordde hij met een nog bredere grijns.

,,Het spijt me. Dat moet een misverstand zijn, meneer. Mag ik even?''

,,Dank u'', zei Juan, terwijl hij beide gansjes nauwlettend in de gaten hield.

Toen ze hem de magneetkaart van zijn kamer gaven, had de bellboy zijn kofferset al op de kar richting bungalow gezet. Terwijl hij aanstalten maakte om te gaan, zei hij quasi onverschillig tegen de manager, maar net luid genoeg zodat de meisjes het hoorden: ,,Ik mag hopen dat uw andere medewerksters betere haarverf gebruiken.''

Onderweg vloog de bellboy, een donkere mulat, hem bijna om de hals van vreugde. Hij zei dat hij dit verhaal tot in den treure aan iedereen zou vertellen, omdat hij ze zo geweldig lik op stuk had gegeven. De man was zo in zijn sas dat hij zelfs geen fooi wou accepteren.

Juan ging even op bed liggen en bedacht dat zijn vakantie niet bepaald een gelukkige start had gemaakt. Opeens, ondanks de lange vlucht, kreeg hij zin om een duik te nemen. Hij schoot zijn zwembroek aan en holde een flink eind de zee in. Hij zwom en dobberde een tijd tussen het blauw en de zon. Na een poosje liep hij naar het strand en ging in het zand liggen. Meteen was het tijd voor de volgende verzuchting.

,,Zeg, vriend, wat doen we hier?'' vroeg de agent met een zangerig accent, waarin de provincie doorklonk. Hij priemde Juan met de punt van zijn stok. De andere agent stond in de aanslag voor het geval hij op de vlucht zou slaan.

Juan hield een hand voor de zon om ze te kunnen zien. Toen hij opstond, realiseerde hij zich dat hij geen enkel identiteitsbewijs bij zich had. Maar de manager, die een herhaling van de scène bij de receptie voorzag, kwam aansnellen en haastte zich om uit te leggen dat hij een hotelgast was en verzocht de agenten te vertrekken.

Voor Juan was dit echter niet genoeg. Hij eiste naar het politiebureau te worden gebracht. Hij kleedde zich snel aan en stapte in de patrouillewagen. Op het bureau vroeg hij naar het Hoofd van de Eenheid. Hij toonde hem zijn identiteitspapieren; het Cubaanse paspoort met het visum dat hij als Cubaan moest aanvragen om zijn eigen land binnen te kunnen en waarvoor hij duur betaald had bij het consulaat in Rotterdam.

,,Mijn Nederlandse echtgenote komt morgen aan, en ze zal dit hoog opnemen. Ik hoop dat we bij de ambassade geen klacht hoeven indienen wegens slechte behandeling. En ik vertrouw erop dat u uw mannen zult inlichten dat in het hotel een zwarte Cubaan logeert die Nederlands staatsburger is en die alles kan doen wat voor zijn Cubaanse landgenoten verboden is.''

De korpschef keek naar de grond en verzekerde hem dat hij geen last meer zou hebben. Toen hij opkeek stond Juan met de handen in zijn zij en eiste naar het hotel te worden teruggebracht. Want hij ging geen geld uitgeven aan een taxi voor iets waar zij schuld aan hadden. Aan Juans verzuchtingen was een einde gekomen. Maar toen hij weer in de hotellobby stond, wist hij dat de zin van het blondje – `Wat moet die hier?' – met hem mee terug zou gaan het vliegtuig in en hem voor altijd zou tekenen.

Vertaling Ernestina van de Noort