Wandelen met de profeet

A.S. Byatt staat sinds haar Possession van twaalf jaar geleden bekend als een geweldenaar onder de romanschrijfsters én onder de essayisten. Wie iets tegen haar wil inbrengen moet beseffen dat zij bijna iedere bedenking zal kunnen overtroeven met ideeën van meer betekenis. Zij is daar uitzonderlijk in. Er zijn weinig romanciers die hun lezers durven te onthalen op zes pagina's dialoog van academici over een wiskundig probleem; op samenvattingen van discussieprogramma's op de televisie; en op de synopses van lezingen over het thema Body and Mind aan een universiteit in Yorkshire.

Misschien zijn er meer schrijvers dan wij denken die het zouden kunnen, en zijn die verstandig genoeg om het na te laten. Het is niet zo dat ongeschoolde lezers wijzer worden van Byatts vertoon van academische competentie; zij schrijft over de hoofden heen. Soms lijkt het of Byatt weinig notie heeft van manieren om een romanlezer bezig te houden. Eigenlijk is zij daar heel goed toe in staat, zolang zij niet afgeleid wordt door andere ambities.

Haar hoofdpersoon in A Whistling Woman, net als in de drie vorige romans van de reeks die hiermee wordt besloten, is Frederica, een ondernemende en onzekere vrouw die met zoveel begrip wordt beschreven dat het verhaal opklaart iedere keer dat zij verschijnt. Zij begint nu, in 1968, aan een nieuwe deelbaan als gesprekleidster in een tv-discussieprogramma over tijdsproblemen, en hoe weinig de samenvattingen van de gesprekken ons ook tot nadenken stemmen, zij wordt een levend personage, intelligent en onervaren, ambitieus en op den duur alweer twijfelend of dit werk haar voldoening schenkt.

Het is passend dat zij de voornaamste liefdesgeschiedenis in de roman beleeft; en ook dat zij midden tussen andere bezigheden een stukje literaire kritiek bedenkt dat als een bom onder Byatts werk blijft liggen. Bij het herlezen van een passage in Scott Fitzgeralds The Great Gatsby, waarin de verteller zich voorstelt wat er in Gatsby omgegaan moet zijn in zijn zwembad vlak voordat hij werd vermoord (`...what a grotesque thing a rose is, and how raw the sun was on the scarcely created grass'), beseft zij dat zij dat volmaakt geformuleerd vindt en legt ze uit waarom: dat die woorden precies een gewaarwording oproepen die niet eerder bestond.

Als Byatt de kritische visie die zij aan Frederica toekent zelf in gedachten had gehouden, was dit boek een stuk korter uitgevallen. Wij hadden dan minder hoeven te vernemen van de gebeurtenissen in Dun Vale, het oude huis in de buurt van de universiteit waar zich een groep postchristelijke religiezoekers gevestigd heeft onder de leiding van een verlosser genaamd Ramsden. Er zou ook minder verteld zijn over de groep rebelse studenten die in 1969 op de universiteit de conferentie over Body and Mind komt verstoren. De tientallen pagina's die daar nu aan besteed worden, herinneren aan dingen die in Europa dertig jaar geleden gebeurd zijn, of heel goed gebeurd hadden kunnen zijn; zij zitten te los in het verband van de roman.

Wanneer Byatt een tijd lang het geduld van haar lezer op de proef heeft gesteld, komt zij ineens weer met een passage die de aandacht volledig opeist. Zo wordt het verslag van de gemeenschap van Dun Vale opgeluisterd door een nachtwandeling waarbij de profeet Ramsden De Ander tegenkomt, die hijzelf is in een lichtende gedaante – een ervaring die de nuchtere lezer hem zal benijden.

In een lichtere stemming verblijdt Byatt ons met een zijsprong wanneer zij vertelt over de deelneming van de gematigde studentenleider Tewfell aan de invasie van de universiteit, waar hij zo opgewonden wordt dat hij twee stukken middeleeuws glaswerk kapot slaat voor het oog van de Vice Chancellor, die hem wegstuurt. In de volgende alinea horen wij dat Tewfell vaak aan deze confrontatie terugdenkt, jaren later wanneer hij minister is geworden in de regering van Tony Blair. Zo'n Joschka-Fischer-effect verlevendigt een roman, en het wordt gevolgd door een puntige opheldering van Tewfells latere, verdeelde gevoelens over de Vice Chancellor.

Weinig lezers zullen van het begin tot het eind door A Whistling Woman geboeid blijven. Er zijn te veel fragmenten waar de geweldenaar Byatt het hoogste woord heeft, zoals iemand in een gezelschap die de omstanders vloert. Dan, vlak voordat de lezer besluit om het boek opzij te leggen, komt er weer een passage die alle ontstemming overwint. Niemand zal van A.S. Byatt zeggen dat zij weinig te vertellen heeft. Integendeel; het is overweldigend veel.

A.S. Byatt: A Whistling Woman. Chatto & Windus, 421 blz. €18,75

    • J.J. Peereboom