Verdronken op het toneel

Wie de dichtende bakkersknecht Jacobus Bellamy (1757-1786) als jongeman door zijn woonplaats Vlissingen zag struinen, versleet hem eerder voor een visser dan voor een dichter. Ondanks zijn zwak en kwakkelend gestel werd Bellamy geprezen om zijn brede schouders, knoestige knuisten én zijn zachte verzen. Dat die inmiddels nog maar sporadisch worden gereciteerd en Bellamy's naam vooral wordt geassocieerd met straten, pleinen en parken, zegt niets over de faam van Bellamy's romance Roosje in de achttiende eeuw. De vlotte, natuurlijk vloeiende kwatrijnen over het brave meisje en haar `kwijnend zagte bruine ogen en lagchtje als morgenrood' werden bovendien door menig componist in talrijk taal op muziek gezet.

Roosje is nu opnieuw uitgebracht en wel in de Slibreeks. De uitgave bevat essays over het werk en een door de Neerlandicus Aernout de Bruyne herontdekte, op Roosje geïnspireerde `suite dramatique' Rosette uit 1888. Dit werk voor piano vierhandig door componist J. Burgmein is gebaseerd op tekst van de dichter Paul Solanges (1846-1914).

De levensgeschiedenis van Jacobus Bellamy is even tragisch als die van Roosje. Als dichtende bakkersknecht ontmoet hij het meisje Fransje Baane en wordt verliefd, maar van een huwelijk komt het niet. Later, als bursaalstudent in de theologie, blijft Bellamy zijn Fransje schrijven, maar zijn laatste bericht bereikt haar pas als hij zelf al is begraven.

In Roosje vertelt Bellamy in krap veertig kloeke coupletten het verhaal van een oud-Zeeuwse traditie. Jongens `dopen' hun meisjes in de zee en `besuikeren' hen daarna op het strand. Dat overkomt ook het lieve Roosje, maar nog voor ze haar zandkorstje krijgt, verdrinkt zij samen met haar verleider in een draaikolk. (`Mijn God! is 't waar? is Roosje dood?/ Ligt Roosje daar in zee?/ Zoo gilt en klaagt een ieder een/ De duinen gillen meê!')

Dat de tragedie van Roosje bij zoveel componisten een gevoelige snaar trof, is goed na te voelen. Feitelijk is de romance een tragische opera in broekzakformaat. De dramatische, niet berijmde bewerking van Paul Solanges, die voor muziekuitgeverij Ricordi ook de Franse vertalingen verzorgde van opera's als Verdi's Falstaff, deelt het drama op in hapklare hoofdstukjes. Saillant detail is dat achter componist Burgmein in werkelijkheid de directeur van diezelfde muziekuitgeverij Ricordi, Giulio Ricordi (1840-1912), schuilgaat. Als Burgmein verklankte hij het verhaal van Roosje in evocatieve sfeerstukjes voor piano vierhandig. Het geheel, hier in keurige reproductie van de originele uitgave, biedt evenzeer keurige huismuziek in laat-negentiende eeuwse Franse stijl. Roosjes ongeduld en het feest aan zee worden in treffende roffeltjes opgeroepen, en zelfs zonder de muziek te spelen verraden de noten al waar Roosje en haar koene Jan ten onder gaan in woest donderende en kolkende basloopjes.

De `suite dramatique' Rosette werd dit najaar voor het eerst officieel uitgevoerd, maar zowel tekst als muziek verdient meer dan incidentele aandacht. Als uitgave biedt Roosje en haar nazaten behalve nieuw inzicht in en inzichten over een oud maar fris Nederlands literair meesterwerkje daartoe ook de mogelijkheid. Niets staat een veelvuldige huiskamerherhaling van Roosjes fatale vloedgolf nu nog in de weg – veilig met vier handen achter de piano tussen de schuifdeuren.

P.J. Buijnsters, P. Verstegen e.a.: Roosje en haar nazaten. Slibreeks nr.100 (Stichting Kunstuitleen Zeeland (0118–611443) 104 blz. €21,–