Tekenares van Ravensbrück

In het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam, waar Aat Breur-Hibma op oudejaarsdag overleed, maakte zij nog portretten van personeelsleden. Sinds november worden in het ziekenhuis haar tekeningen en aquarellen geëxposeerd. `Een vrouw in het licht', heet de expositie.

Aat Breur werd bekend als de tekenares van Ravensbrück. In het vrouwenconcentratiekamp van de nazi's, waar de verzetsstrijdster vanaf 1943 werd vastgehouden, legde zij op verfrommelde restjes papier en achterkanten van formulieren het kampleven vast. Ze tekende vooral haar lotgenoten. Na de oorlog verdwenen de tekeningen in een kast, waar ze pas op verzoek van Breurs dochter uit tevoorschijn kwamen. Ze werden door het Rijksmuseum gerestaureerd en op verschillende plaatsen geëxposeerd. In 1983 verscheen het boek Een verborgen herinnering van Dunya Breur, met tekeningen van haar moeder uit Ravensbrück.

Het idealisme en de internationale oriëntatie van het echtpaar klinken door in de naam van de in 1942 geboren dochter van Aat Hibma en Krijn Breur. Lang voordat dunya, het Turkse woord voor wereld, een gangbaar begrip werd in multiculturele kringen, koos het geëngageerde echtpaar voor die naam. Hibma en Breur trouwden in 1940. Zij was toen tekenlerares in Den Haag, hij studeerde filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Krijn Breur was als negentienjarige naar Spanje vertrokken om tegen Franco te vechten en drie jaar later teruggekeerd naar Nederland.

Na het uitbreken van de oorlog werd het jonge paar actief in het verzet. Hibma, anders dan Breur geen lid van de communistische partij, legde zich toe op het vervalsen van persoonsbewijzen. In 1942 werden ze verraden door een buurtbewoner in Den Haag. Krijn Breur werd gemarteld en in 1943, samen met medewerkers van Het Parool, gefusilleerd. Aat Hibma werd, voor ze naar Ravensbrück werd gebracht, opgesloten in gevangenissen in Scheveningen en Utrecht.

Aanvankelijk weigerde Breur haar tekentalent in het kamp te gebruiken. In een interview in Trouw uit 1995 zei ze hierover: ,,Ik wilde niks doen voor de Duitsers en zei dat ik niks kon en niks verstond. Maar dat was, achteraf gezien stom. Als je niks kon, moest je in het kamp elke dag urenlang appèl staan en kreeg je de zware sjouwklussen. Later heb ik gezegd dat ik kon tekenen. Toen moest ik geboortekaartjes tekenen van SS'ers.' Het tekenen hield haar gaande, aldus Breur-Hibma.

Met andere overlevenden en met gemengde gevoelens ging Aat Breur-Hibma in 1995 terug naar Ravensbrück, om te herdenken dat het kamp vijftig jaar eerder was bevrijd door de Russen. In het museum hingen haar tekeningen. Voor het comité `Vrouwen van Ravensbrück' gaf ze voorlichting op scholen, in 1998 ontving ze de Yad Vashem-onderscheiding voor niet-joden die in de oorlog hulp hebben geboden aan joden.

Sprekend over haar kampervaringen merkte Breur-Hibma vaak schuldgevoelens bij haar gesprekspartners, zei ze in Trouw. ,,Ze zeggen dan dat ze niet kunnen tippen aan wat ik heb gedaan. En schamen zich of zijn verlegen. Dat vind ik echt onzin, iedereen heeft toen gedaan wat-ie kon of wílde doen. Ik zat in een links milieu, daar was verzet heel vanzelfsprekend.'

Gerectificeerd

Aat Breur-Hibma

Het artikel Tekenares van Ravensbrück (3 januari, pagina 2) verwijst naar tekeningen van Aat Breur-Hibma die geëxposeerd zouden worden in het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam. De expositie is te zien in het Slotervaart Verpleeghuis, tegenover het ziekenhuis.