Nieuwe missie

Met ingang van het nieuwe jaar is Nederland voorzitter van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), de regionale veiligheidsinstelling met veel leden, 55, maar weinig macht. Voor de nieuwbakken chairman-in-office is meteen werk aan de winkel. De OVSE-missie in de Russische republiek Tsjetsjenië is per 1 januari gesloten. Verlenging van het mandaat werd afgekeurd door Moskou, dat vond dat de OVSE zich te kritisch uitliet over schendingen van de mensenrechten in de opstandige provincie. Rusland, zelf lid van de OVSE, was niet zachtzinning in zijn oordeel en zei dat de OVSE niet bereid is tot een ,,adequate beoordeling'' in Tsjetsjenië en de ,,nieuwe realiteit'' niet onder ogen wil zien. Dat zijn ernstige verwijten die de organisatie, haar voorzitter in het bijzonder, zich moet aantrekken.

De OVSE, voortgekomen uit de in 1975 in Helsinki opgerichte CVSE, houdt zich sinds 1994 bezig met het signaleren, beheersen en voorkomen van crises. De organisatie heeft het tij niet mee. Met een uitbreidende NAVO en Europese Unie, die geacht worden óók aan crisismanagement te doen en wèl over een zekere macht beschikken, dreigt de OVSE een overbodig wiel aan de wagen te worden. Een heroriëntatie op haar bestaan is nodig wil de OVSE niet wegzakken in het moeras van de irrelevantie. Het sluiten van de missie in Tsjetsjenië biedt een uitgelezen kans om door discrete diplomatie de relatie met het lid Rusland tegen het licht te houden en de eigen rol fundamenteel te onderzoeken.

Minister De Hoop Scheffer (CDA, Buitenlandse Zaken) zei onlangs dat het OVSE-voorzitterschap voor Nederland een ,,enorme uitdaging'' is. Dergelijke holle woorden worden wel vaker gebruikt bij het aanvaarden van een voorzittershamer, maar dit keer is de uitdaging onverwachts concreet geworden: hoe houden we Rusland maximaal betrokken bij de OVSE? Moskou heeft een punt met het verwijt dat de OVSE zich te veel bezighoudt met de moeilijkheden in het voormalige sovjetrijk. En hoe terecht het ook is dat steeds weer gehamerd wordt op de mensenrechten, als het effect is dat de OVSE-teams moeten vertrekken uit Tsjetsjenië of Wit-Rusland (zoals in oktober vorig jaar), dan ontvalt de organisatie haar sterkste wapen: het met eigen mensen `in het veld' aanwezig zijn. Juist dat maakt dat de OVSE tot meer dan een praatclub.

De OVSE heeft aangetoond met humanitaire- en vredesmissies nuttig werk te kunnen verrichten. Haar effectiviteit en gezag zijn deels te danken aan haar optreden in bijvoorbeeld de Balkan (Kosovo). Maar dat dit weinig zegt over de appreciatie van het OVSE-werk elders bewijst de kwestie-Tsjetsjenië. Ook vallen er geen vergaande conclusies aan te verbinden voor de toekomst van de OVSE. Eenzijdige fixatie op een bepaalde regio of een bepaald onderwerp werkt, hoe dan ook, op den duur contraproductief.

Macht en invloed van een nieuwe voorzitter moeten niet worden overschat – zeker niet als het om een klein land gaat. Maar met het onderkennen en intern benoemen van de problemen van de OVSE kan Nederland al een eind komen. Het zou de voorzitter bovendien sieren als hij niet alleen een aantal nieuwe missies formuleert, maar ook de belangrijkste leden stimuleert bij het nadenken over een nieuwe, aan de tijd aangepaste mission statement. Die heeft de OVSE hard nodig.