Mijn Vader

Mijn vader geboren in 1903, hield van de winter. Vooral een strenge winter. IJzig koud, woeste sneeuwstormen, een gierende wind en soms een donderend onweer. Hij genoot ervan. Hij droeg een lange onderbroek onder zijn pantalon, een dik hemd onder zijn overhemd, nooit een trui, altijd een pak en een duffelse jas. Op zijn hoofd dobberde een te kleine zwarte astrakan muts die op een schip leek. Zelden droeg hij wanten. Zijn handen waren warm van zichzelf zei hij altijd en als dat niet zo was sloeg hij zich warm. Als hij thuiskwam en zich uitgepeld had deed hij nooit pantoffels aan. Stel dat er iemand aan de deur kwam, hij was wel een heer. Zijn eigen stoel stond naast de haard. Achter de mica-ruitjes brandde een oranje vuurtje.

Meteen na het eten legde mijn vader vier goudreinetten op de kachel en draaide ze regelmatig om ze aan alle kanten even bruin te laten poffen. Een zoetzure lucht kwam in de kamer. Als ze halfgaar waren mochten we ze uitlepelen. Hij pakte zijn lievelingsboek: Het Uilennest en las ons eruit voor, tegen de zin van mijn moeder, omdat het een boek voor volwassenen was.

Mijn vader las over de gierige boer die een grote boerderij had aan de rivier de Devel, bij ons in de streek. Zijn prachtige blonde dochter en de doldrieste stroper waar zij stiekem verliefd op was. Soms fluisterde of brulde hij door de kamer als hij de boer nadeed, maar als de stroper iets zei had hij opeens een raar accent. Ook liet hij veel dingen gebeuren die totaal niet in het boek stonden. Of hij wachtte even en blies door zijn vingers, zodat wij de schrale wind door de polder hoorden fluiten.

    • Maria Heiden