Kolen en katholicisme

De laatste mijn in Limburg werd ruim een kwart eeuw geleden gesloten. De steenkolenindustrie lijkt nu zorgvuldig weggepoetst, maar er zijn nog restanten. En littekens. `De sociale werkplaatsen zijn in de mijnstreek nog steeds de grootste werkgever.'

De enige plek in Limburg waar je nog een indruk kunt krijgen van het werk dat honderdduizenden `kompels' (mijnwerkers) in de loop der jaren in het gebied rond Heerlen en Kerkrade onder de grond verricht hebben, is in de Steenkolenmijn van Valkenburg. In deze nagebouwde mijn, in een mergelgrot, geven voormalige mijnwerkers een rondleiding door de lange, donkere gangen.

Ze demonstreren mijnbouwmachines en laten horen wat een oorverdovend lawaai die maken. Ze tonen het transport onder de grond, over lopende banden, in wagons en op de mijnfiets. En ze vertellen hoe het gevaarlijke mijngas opgespoord werd: door kanaries mee onder de grond te nemen die daar gevoelig voor zijn. Ze laten ook een promotiefilm van DSM zien uit de jaren zestig, om direct daarna uit de doeken te doen wat er in die film allemaal te rooskleurig werd voorgesteld in een poging om nieuw personeel te werven voor het weinig populaire mijnwerkersberoep.

De `toeristenmijn' zit niet voor niets in een mergelgrot, in plaats van in een echte mijn. Niet alleen waren de mijnen soms honderden meters diep en voldoen de ophaalliften van toen niet meer aan de veiligheidseisen van nu, het was er ook snikheet en sommige mijngangen waren niet hoger dan 60 centimeter.

Het zou niet eens meer kunnen, een rondleiding in een echte mijn, want de Limburgse mijnen zijn er simpelweg niet meer. Bij de operatie `van zwart naar groen' in de jaren zeventig zijn de mijnterreinen vakkundig `weggepoetst'. Gebouwen werden opgeblazen, de mijnschachten zijn `afgedicht' met tientallen meters dikke lagen stenen en beton en de enorme braakliggende terreinen die ontstonden, zijn weer volgebouwd. Het lijkt wel of Limburg zijn mijnverleden het liefst zo snel mogelijk wilde vergeten.

Wie anno 2003, honderd jaar na de opening van De Staatsmijnen (DSM) in 1902 en 28 jaar na de sluiting van de laatste mijn, nog iets van de restanten wil zien,moet goed zoeken. ,,Er is niet veel meer over'', zegt Louis Rutten van industriemuseum Industrion in Kerkrade, die een excursie leidt langs de laatste restjes mijnhistorie die nog in de Limburgse mijnstreek te vinden zijn.De rondrit maakt deel uit van een serie lezingen, excursies, tentoonstellingen en theatervoorstellingen die het Studium Generale van de Universiteit Maastricht onder de noemer `Vanuit de ondergrond' tussen november en maart organiseert rond het eeuwfeest van DSM.

De rondrit door Zuidoost-Limburg voert onder andere langs een klooster in de buurt van Kerkrade, waar monniken eeuwenlang de enigen waren die zich met (eenvoudige) steenkolenwinning bezighielden. Aan het einde van de negentiende eeuw, als de grootschalige winning van steenkool zijn intrede doet, is de mijnbouw in Limburg in handen van particuliere bedrijven, die op hun beurt eigendom zijn van Duitse, Franse en Belgische investeerders.

Die buitenlandse invloed is nog bewaard gebleven in de wijk Leenhof in Landgraaf, een buurt met karakteristieke huizen in een on-Nederlandse bouwstijl, gebouwd in vierkante blokken van telkens vier hoekwoningen, rijkelijk versierd met luiken en wit pleisterwerk. Rutten: ,,Deze wijk is gebouwd voor mijnwerkers van de Oranje-Nassaumijnen en de Franse eigenaar van de mijn koos voor een Lotharingse bouwstijl, omdat hij daar vandaan kwam.''

De vier Oranje-Nassaumijnen vormden samen het grootste particuliere mijnbedrijf in Limburg. ,,Het had 1.400 mijnwerkerswoningen in eigen beheer en 1.200 via woningbouwverenigingen.'' Ook op andere plaatsen werden mijnwerkerskolonies gesticht, wat resulteerde in karakteristieke woonwijken als De Hopel in Eugelshoven (bij Kerkrade) en De Molenberg in Heerlen, waar de huizen opvallend groot zijn voor arbeiderswoningen.

Van de Oranje Nassau I, in 1974 één van de laatste mijnen die dicht ging, is een mijnschacht bewaard gebleven. Die staat nu naast het gebouw van het Centraal Bureau voor de Statistiek in Heerlen, dat na de mijnsluitingen op het Oranje-Nassauterrein is gebouwd om de regio vervangende werkgelegenheid te bieden. ,,Deze schacht is één van de weinige zichtbare herinneringen aan de mijnbouw'', zegt Rutten. Twee kleine huisjes staan er nog, met elkaar verbonden door dikke stalen kabels, die werden gebruikt voor de aandrijving van de mijnlift. De kabels lopen van de liftschacht in het ene huisje naar de bedieningskamer van de lift in het andere en komen uit op een gigantisch stalen wiel, dat mijnwerkers honderden meters de grond in kon takelen en duizenden kilo's kolen weer mee naar boven nam.

Twee mijnschachten staan er nog, naast die in Heerlen ook één van de voormalige Domaniale Mijn in de buurt van Kerkrade, die bijzonder is omdat die van steen is en niet van staal. Rutten: ,,Tegenwoordig woont er een kunstenaar in.''

De Staatsmijnen (DSM) werden in 1902 opgericht om te voorkomen dat de voor de energievoorziening steeds belangrijker wordende kolenwinning volledig in buitenlandse handen kwam. Doordat alle sindsdien geopende mijnen staatsbezit waren, probeerde het rijk tevens grip te houden op de alsmaar groeiende groep mijnwerkers die, zo werd gevreesd, wel eens gemakkelijk ten prooi zou kunnen vallen aan het opkomende socialisme, zoals in de mijnstreken in de omliggende landen al gebeurd was. Dat, zo vond niet in de laatste plaats ook de katholieke kerk in Limburg, moest tegen elke prijs worden voorkomen. Hand in hand zorgden kerk en staat er daarom voor dat er in Limburg arbeidsrust heerste en dat de Limburgse mijnwerkers brave katholieken bleven.

,,Die aanpak heeft geweldig goed gewerkt'', zegt Thijs Wöltgens, voormalig PvdA-Kamerlid, oud-Burgemeester van Kerkrade en tegenwoordig voorzitter van de Open Universiteit in Heerlen, op een symposium over het Limburgse mijnverleden in het Industrion. ,,Buiten Zuid-Limburg is er geen enkele mijnstreek waar het katholieke geloof zo sterk is gebleven.''

Daar lag een uitgekiende, volgens Wöltgens ,,briljante'', strategie aan ten grondslag. ,,Overal was over nagedacht. De huisvesting van de mensen was geregeld, iedereen had een huis met een tuin. De dorpen mochten niet te groot worden, zodat ze hechte en gesloten gemeenschappen bleven. De mijn regelde alles van de wieg tot het graf, tot aan het invullen van je belastingpapieren toe. We hadden in Limburg al een verzorgingsstaat lang voor daar in de rest van Nederland sprake van was.''

Dat had ook een keerzijde. ,,Er werd een deken over je heen gelegd waar je niet onderuit kon. Mensen met afwijkende ideeën hadden het zeer moeilijk, want alles was hiërarchisch vanuit de mijn en vanuit de kerk georganiseerd. Het sociale leven speelde zich volledig af binnen de katholieke zuil. De onderlinge betrokkenheid tussen de mensen was groot, maar daar stond een duidelijk gebrek aan vrijheid tegenover.''

Dat er ook een ander soort samenleving bestond, ontdekte Wöltgens, wiens vader bij de Staatsmijnen op kantoor werkte en wiens grootvader mijnwerker was in Aken, pas toen hij in de jaren zestig de Limburgse mijnstreek verliet om in Utrecht rechten te gaan studeren. Zijn afstudeerscriptie, over de socialistische mijnwerkersbond, bracht hem weer terug naar Zuid-Limburg.

De socialistische vakbeweging heeft in Limburg nooit echt voet aan de grond gekregen, praktisch alle mijnwerkers waren lid van de katholieke bond. ,,We wisten niet anders'', zegt Frans Krasovec, die vanaf zijn dertiende in de mijn werkte. ,,Je was lid van de katholieke jongerenvereniging en later werd je lid van de katholieke vakbond. We wisten wel dat er ook een andere bond was, maar dat was ook alles.''

Krasovec klom uiteindelijk op tot voorzitter van de katholieke mijnwerkersbond. Tegenwoordig is hij loco-burgemeester en wethouder in Kerkrade. ,,Mijn vader was mijnwerker, ik ben met hem uit Kroatië meegekomen. Via Frankrijk kwamen we in Nederland terecht. Het was in de mijnen in Limburg beter dan in België en in Frankrijk, maar we hebben hier wel echt moeten overleven en onveilig werk moeten doen.''

De katholieke vakbond was weinig strijdbaar, geeft Krasovec toe. ,,Ze noemden ons wel eens communisten met een rozenkrans, maar in de praktijk zat de strijd er niet echt in bij ons. We waren vrij volgzaam.'' In de periode na de Tweede Wereldoorlog, toen de mijnen op volle kracht draaiden en de hele wederopbouwindustrie op steenkolen draaide, was daar ook weinig reden toe. De mijnen, zeker die van het rijk, golden in die tijd als modelwerkgever.

In de jaren zestig werden de mijnen echter zwaar verliesgevend, na de opkomst van vervangende energiebronnen als gas en olie. Toen de mijnen in de jaren zeventig gesloten werden, had de vakbeweging daar wel begrip voor. ,,We hebben lijdzaam toegezien hoe de mijnen dicht gingen'', zegt Krasovec. De kolenwinning was toch niet meer rendabel te maken en iedereen was het er inmiddels ook wel over eens dat het vuile en ongezonde werk in de mijnen geen gemis was. ,,We hadden er bovendien vertrouwen in dat er voor vervangende werkgelegenheid gezorgd zou worden, want dat was ons beloofd.''

Die zou er echter nooit komen, mede doordat in 1973 de eerste oliecrisis uitbrak en ook de rest van het land in een neergaande spiraal terecht kwam. Het gevolg was dat de werkloosheid in de mijnstreek enorm opliep. ,,Er is echt een kaalslag geweest'', zegt Thijs Wöltgens. ,,We hebben eerst een mooie, agrarische samenleving geofferd aan de mijnindustrie, omdat dat toen de vooruitgang was. Maar toen de mijnen werden gesloten, is er niets voor in de plaats gekomen. Het hele sociale stelsel dat rond de mijnen bestond, stortte in. Dat was veel erger dan de mijnsluitingen.''

Veel Limburgers voelden zich in de steek gelaten. ,,Vooral dat de beloofde vervangende werkgelegenheid er niet is gekomen, heeft het vertrouwen in de politiek van veel mensen ernstig beschaamd.'' Wöltgens, die in de loop van de jaren zeventig Kamerlid werd: ,,We hebben de mijnsluitingen in Den Haag veel te veel als een technocratisch proces beschouwd. We dachten dat er binnen een jaar of tien wel weer nieuwe fabrieken in Limburg zouden staan.'' Dat bleek een illusie. Krasovec: ,,Uiteindelijk zijn veel voormalige mijnwerkers in de sociale werkvoorziening terechtgekomen, ook al hadden ze geen handicap. De sociale werkplaatsen zijn nog steeds de grootste werkgever in de mijnstreek.''

Voor zo'n grote sociale werkplaats in Kerkrade staat tegenwoordig de herdenkingskapel van de heilige Barbara, patroonheilige van de mijnwerkers. Een typische mijnwerkersfeestdag is de `Barbaradag', op 4 december, die in Zuid-Limburg jarenlang gevierd werd. In de kapel staan de namen van alle mijnwerkers die door ongelukken in de mijnen om het leven zijn gekomen. Vlakbij de kapel ligt het terrein van de voormalige staatsmijn Wilhelmina. De steenberg van de Wilhelmina-mijn, waar het zwarte steengruis dat met de kolen mee naar boven kwam na het scheiden op terechtkwam, is tegenwoordig een skihelling. Zelfs de zwarte bergen zijn wit geworden.

Voor info over `Vanuit de ondergrond' van het Studium Generale van de Universiteit Maastricht zie www.sg.unimaas.nl/ondergrond.htm