Jong en oud foxtrottert

Half Nederland trok in de jaren dertig naar de Rotterdamse Coolsingel om te dansen bij Pschorr, een dancing zonder `beperkende regels'. Over dat verdwenen dansparadijs is een boek verschenen.

In de keuken van Pschorr, de mooiste dancing van Rotterdam, was nog volop eten en drinken. Op 14 mei 1940 kreeg medewerker Theo Moens opdracht deze voorraad over te dragen aan de Nederlandse soldaten, die al eerder de voorruiten van de serre hadden verwijderd om hun geweren vrijuit op de Coolsingel te kunnen richten. Terwijl hij met twee politiemannen door het gebouw liep, hoorde Moens muziek. Op de dansvloer stond een trompettist van het orkest dat er tot 10 mei had gespeeld, een riedeltje te toeteren. Hij kwam zijn trompet ophalen, zei hij, want die had hij hier per ongeluk laten liggen. Moens wees de muzikant de deur, droeg de proviand over en vertrok. Een paar uur later zag hij uit de verte hoe de Duitse bommen op de Coolsingel vielen. Eén trof de autogarage en de benzineput naast de danszaal. Meteen vloog ook Pschorr de lucht in.

Sindsdien is Pschorr een naam van vroeger. Tonny van der Horst was zestien toen ze er voor het eerst kwam. ,,Met hooggespannen verwachtingen passeerde ik de portier en de bejaarde dame achter de kassa in de hal', schreef ze in haar Rotterdamse herinneringen op de Achterpagina van deze krant, ,,en toen we via een gecapitonneerde deur in de getemperd verlichte zaal kwamen en de klaaglijke en uitbundige uithalen van de saxofoons ons overspoelden, had ik de opwindende gewaarwording dat ik een zekere graad van volwassenheid had bereikt en er van nu af aan bij hoorde.'

Als het om dansen ging, stelt Herman Romer in zijn pas verschenen boek Pschorr Rotterdam, was Amsterdam in de jaren dertig een stad van zedenmeesters. Wie in de hoofdstad een dansgelegenheid wilde exploiteren, werd ontmoedigd door een groot aantal beperkende voorschriften. En hetzelfde gold voor andere attracties die wellicht de zinnen in vervoering zouden brengen. Zo mocht de zwarte danssensatie Josephine Baker, met haar beweeglijke buik boven een rokje van bananen, aanvankelijk in Amsterdam niet optreden. Wel in Rotterdam – in Pschorr.

Rotterdam was daar makkelijker in. Ook toen zal er al wel iets voortvarends in de lucht hebben gehangen. Met de aanleg van de Nieuwe Waterweg en de nieuwe havens op de linker Maasoever, eind negentiende eeuw, had de stad zich nog maar net losgemaakt uit de dommel van de provincieplaats. Er was nog bijna niets, er moest nog van alles komen. Toen er omstreeks 1883 in de Korte Hoogstraat een café kwam waar de nieuwe modedrank bier werd geschonken – met een licentie van de Duitse brouwerij Pschorr – trok die onderneming dan ook meteen veel publiek. ,,De zakenman toog erheen met zijn buitenlandsche zakenrelatie', aldus het Weekblad gewijd aan de belangen van Rotterdam, ,,en hoopte dan tegelijk, dat deze den volgenden dag maar ophoepelen zou, omdat hij den tweeden avond niet zou weten waar opnieuw te Rotterdam ontspanning te zoeken.'

Vrijersvoeten

Maar de glorie van het oude Pschorr begon pas echt toen de zaak in 1916 werd verkocht aan de ondernemende Dirk Reese – een man die, blijkens de door Romer verzamelde verhalen, niet alleen een schrander uitbater was, maar ook een vernieuwer op amusementsgebied. Hij engageerde buitenlandse violisten, die de dames con sordino het hoofd op hol konden brengen, de vocalist Elmer Spyglass (in de advertentie aangeprezen als `de gevierde Negerzanger'), de populaire kapelmeester Marcello Lanfredi, de soubrette Louisette, en een onafzienbare rij salonorkestjes, dansparen en cabaretiers, onder wie alle groten uit zijn tijd: J.H. Speenhoff, Louis Davids en Jean-Louis Pisuisse.

De jongeren op vrijersvoeten konden terecht op het balkon, dat ook wel `de bedstee' werd genoemd. Als niets anders hen in beslag nam, keken ze uit op het volwassen publiek in het royaal bemeten etablissement daaronder. ,,Beneden in de grote zaal zaten de Pa's en de Ma's', schreef de kleinkunstenaar Alex de Haas later, ,,de heren met imponerende Es-ist-erreicht-snorren, de dames met hoog-opgestoken kapsels, waarboven kokette chasseurtjes wiegedeinden, of die door hoepelwijde flaphoeden met tragisch-neerpluimende pleureuses overwelfd waren.'

Maar voor Reese was een café in de Korte Hoogstraat niet genoeg. Hij liet aan de Coolsingel een groots etablissement met lonkende lichtjes bouwen door de architect Willem Kromhout, waarin ruimte was voor een café, een restaurant en een dancing. Steeds meer publiek wenste een avond uit niet meer zittend, maar dansend door te brengen. ,,Dansen doet tegenwoordig iedereen', constateerde de NRC in 1923, kort na de opening van het nieuwe Pschorr. ,,Jong en oud stept, foxtrottert, probeert een blues, maakt een rainbow, een tango. Jong en oud, groot en klein, dik en dun, recht en krom krijgt het bij elke gelegenheid die zich biedt, in huis en buitenshuis, te pakken. In dit opzicht is Rotterdam plotseling geweldig naar voren geschoten.'

Het parfumtreintje

Drie jaar later volgde de glazen vloer. En als het sindsdien over Pschorr ging, ging het altijd over die glazen vloer. Reese had het idee opgedaan in het Casino de Paris, waar hij geregeld naar nieuwe artiesten ging kijken, en zag onmiddellijk dat zo'n vloer nu net de roaring twenties-sensatie was waar de Coolsingel op zat te wachten. Thuisgekomen liet hij de parketvloer vervangen door een carré van dikke matglazen tegels, die het licht doorlieten van de gekleurde lampen eronder. Tonny van der Horst herinnerde zich ,,de dansvloer, die fascinerend in rood en blauw oplichtte en onwezenlijk aanvoelde onder je voeten, alsof je over het glas van een reusachtig ondergronds aquarium zweefde, waarin tropische vissen en kamerplanten schemerden.'

Zo te dansen, op de vinnige syncopen van de jazz age, moet een droom zijn geweest. Ze kwamen er zelfs voor uit Den Haag, de heren in smoking en de dames met hun bobhaar en hun glanzende fil d'écosse-kousen, in een avondtrein die dan ook bekend stond als `het parfumtreintje'. Maar het is een droom, die zich nog louter laat reconstrueren door te citeren uit de ooggetuigeverslagen van steeds minder ooggetuigen. Beleven kan niet meer. Hoe het was om in Pschorr voor het eerst een fonkelende trompetsolo van Louis Armstrong te horen, of het strak ingesnoerde ritme van het orkest van Jack Hylton, of de kloeke klank van Coleman Hawkins als sax-solist bij The Ramblers – dat alles laat zich alleen nog bij benadering indenken. Nostalgie is op zichzelf al tamelijk machteloos, en nostalgie naar een niet zelf beleefde tijd moet daarvan de overtreffende trap zijn.

Steeds vaker, zo lijkt het, vond de vooroorlogse Rotterdammer zijn vertier aan de boulevard-brede Coolsingel. Daar waren de bioscopen, de cafés, de terrassen en de amusementstheaters, daar was Pschorr, en daar viel op mooie avonden te flaneren van de Kruiskade tot aan de Binnenweg. De crisis van de jaren dertig bracht wel verschuivingen teweeg – meer dans, meer film, minder theater – maar geen breuk. De gloriejaren duurden voort. Dirk Reese begon zelfs in 1939 nog aan een ingrijpende verbouwing van zijn danspaleis. Terwijl de dancing open bleef, sneuvelde de oude gevel van Kromhout. De nieuwe, in zakelijker ogend natuursteen, kwam een meter naar voren te staan. ,,Hoezeer Pschorr misschien mag trekken voor wat het binnen biedt, Rotterdam is er een bouwwerk armer mee geworden', luidde het strenge oordeel van de NRC.

Maar de zaken bleven onverminderd floreren, en nog meer toen de mobilisatie begon. Grote groepen soldaten op verlof vormden een heel nieuw publiek. Prompt organiseerde Pschorr speciale cabaretavonden voor militairen. Grote komieken als Lou Bandy en Snip & Snap zongen daar de succesnummers uit de mobilisatietijd: Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan, Blonde Mientje heeft een hart met prikkeldraad en Rats kuch en bonen. En toepasselijk was ook het nieuwste meezingliedje van het vlotte jongensduo Johnny & Jones: Het regiment marcheert niet meer (ze lopen nu te swingen).

Tot de bom viel.

Na de oorlog is de Coolsingel herbouwd. Nieuwe blokken moesten de gaten vullen die naast het stadhuis en het postkantoor waren gevallen. Aan vermaak werd nauwelijks gedacht. De stad, waar de overhemden voortaan met opgerolde mouwen werden verkocht, moest met verdubbelde ijver aan het werk. Wat er nog aan horeca en bioscopen was, werd weggezogen door de Lijnbaan. De grote boulevard werd er des te schraler van. Op het brede trottoir staan tot op de dag van vandaag houten keetjes in de weg, voor de snelle uitsmijters met saté. Ook in de avonduren is in Rotterdam allang weer veel te doen, maar het bevindt zich elders – niet aan de Coolsingel. Die is 's avonds donker.

Herman Romer: Pschorr Rotterdam. Van café-concert tot danspaleis 1883-1940. Europese Bibliotheek, 168 blz., €22,90

    • Henk van Gelder