Het Duitse lijden

Rond de hoofdingang van het kerkhof in Darmstadt staan daags na een geallieerd bombardement ketels, badkuipen en kisten in een halve cirkel. `In oude emmers brachten ze de hele dag hun doden', herinnert zich een ooggetuige uit de brandende stad. `In een badkuip een hele familie'. Een vuurzee laat van het menselijk lichaam niet veel over. `Uit de kelder kwam een huilende jongen in het uniform van de luchtmacht. In zijn hand een geëmailleerde emmer met een deksel. Men vroeg het hem om hem te troosten. Het waren zijn ouders geweest.'

Toegankelijk en doorspekt met gruwelijke details beschrijft de Berlijnse historicus Jörg Friedrich in Der Brand de bombardementen op Duitse steden in de Tweede Wereldoorlog. Friedrich beziet de luchtoorlog vooral vanaf de grond en schildert de bombardementen vanuit het perspectief van de Duitse slachtoffers. Hij wil, zegt hij in het nawoord, schrijven over de `Leideform' van de bombardementen die Britse en Amerikaanse vliegtuigen in vijf jaar boven Duits grondgebied uitvoerden.

Veelal aan de hand van ooggetuigenverslagen voert de historicus de lezer langs de nachtelijke verschrikkingen die in 160 Duitse steden tussen 420.000 en 570.000 slachtoffers hebben geëist. De dan 24-jarige Ruth Adamsen uit Wuppertal: ,,Ter hoogte van de Erichstrasse hoorden we vreselijk gegil uit het vuur. `Help me, ik verbrand'. Later bleek dat het Meneer Döring was geweest, bij wie ik altijd mijn schriften kocht.'

Friedrich is de tweede Duitse auteur in korte tijd die aandacht vraagt voor de slachtoffers in het land van de daders. Begin vorig jaar stelde Günter Grass het lijden van Duitsers centraal in zijn `novelle' Im Krebsgang. Grass nam als uitgangspunt de torpedoaanval op een schip vol vluchtelingen uit Oost-Pruisen die vlak voor de ondergang van het Derde Rijk probeerden te ontkomen aan het Rode Leger. Grass' boek prijkte maandenlang op de bestsellerlijst van weekblad Der Spiegel. Der Brand was wekenlang uitverkocht nadat boulevardkrant Bild aandacht aan het werk had besteed. Men kan er niet omheen, constateerde de historicus Hans-Ulrich Wehler in de Süddeutsche Zeitung: `Duitse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog worden in het middelpunt van de belangstelling geplaatst.'

Vanuit Duits perspectief waren er goede redenen om niet te lang stil te staan bij het eigen lijden. Niemand wilde het verwijt krijgen om met aandacht voor het eigen leed het aan anderen toegebrachte leed te bagatelliseren. Bovendien zou aandacht voor het lijden van het eigen volk neonazi's in de kaart spelen. Met invalshoek (slachtoffers) en methode (ooggetuigenverslag) begaf Friedrich zich volgens die normen dus op glad ijs.

Der Brand is een bevlogen verslag. De lezer komt op de eerste pagina een brandend Wuppertal binnen en eindigt bij de voor tweederde door brand verwoeste collectie van de universiteitsbibliotheek in Münster. Friedrich wil vooral beschrijven, vertellen. Over de manier waarop het wapen van de luchtaanval in een proces van vallen en opstaan werd geperfectioneerd totdat men in staat was een vuurstorm te creëren. Over de bombardementen op Warschau, Rotterdam en Coventry waarmee de Duitsers de tegenaanval over zich afriepen. Over de angst van jonge Britse piloten in hun explosieve kisten, uiterst kwetsbaar voor afweergeschut en Duitse jachtvliegtuigen. Over overleven en sterven in schuilkelders. Over de terreur van het luchtalarm, de eenzaamheid tijdens de aanval en de euforie van hen die de nacht hadden overleefd en opgelucht naar hun brandende stad keken.

Friedrich voert ook minutieus boekhouding over de historische gebeurtenissen. Wanneer en hoe vaak werd een stad gebombardeerd, hoeveel slachtoffers op de grond, hoeveel in de lucht? Hoe groot was de schade aan cultuurgoed? Maar de gruwelijke details doen de vraag opkomen: moest dat nou allemaal? Gingen de Britten niet over de schreef?

Friedrich lijkt voor het antwoord op die vraag terug te deinzen. In een gesprek met Die Welt werd hem gevraagd of de bombardementen een oorlogsmisdaad waren. Friedrich: ,,Ik neem daar geen standpunt over in'. Ook in het boek beantwoordt hij die vraag niet expliciet. Toch is Friedrich een man met opvattingen. De bombardementen, analyseert hij, beantwoordden niet aan hun doel. De geallieerden wilden het moreel van de Duitse bevolking breken in de hoop dat men zich tegen Hitler zou keren. Maar dat gebeurde niet. Ondanks de bombardementen moesten de geallieerden Duitsland in een moeizame grondoorlog meter voor meter veroveren. Ook gingen de bombardementen te lang door, oordeelt hij. In de laatste maanden van de oorlog werden nog hele steden in brand geschoten. `Een van militaire doelen losgezongen vernietigingswals bewerkte van januari tot mei 1945 nog een keer het land.' Welk doel diende het `einäschern' van bijvoorbeeld Pforzheim in februari 1945, wil hij weten? Friedrich veroordeelt de bombardementen niet expliciet, maar hij kan zijn verontwaardiging niet altijd verbergen. Her en der voert emotie de pen, bijvoorbeeld als hij schrijft over een `mongolische vernietigingsorkaan' en over een stad `vernietigd door cyclopenvuisten'.

Duitse recensenten hebben Friedrich gekapitteld over het emotionele taalgebruik. Op sommige punten bedient hij zich bijvoorbeeld van begrippen die doorgaans zijn gereserveerd voor de holocaust, zoals de omschrijving van brandende kelders als `crematoria'. Dat is onzorgvuldig en onkies, maar dat maakt van Der Brand nog geen hapklaar pamflet voor kaalgeschoren onverlaten. De emotie vertroebelt wel de analyse en maakte het boek vatbaar voor de kritiek dat Friedrich het Duitse leed een te prominente plaats wil geven. Meer distantie en een meer systematische uiteenzetting van de morele dilemma's verbonden met moderne oorlogsvoering zouden het boek een grotere zeggingskracht hebben gegeven met het oog op andere militaire conflicten. Na lezing van Der Brand is het echter niet meer zo eenvoudig om het Duitse leed af te doen met een laconiek: ze hadden er zelf om gevraagd.

Jörg Friedrich: Der Brand. Deutschland im Bombenkrieg 1940-1945. Propyläen, 592 blz. €25,-

    • Michel Kerres