Een tonnetje haring voor de Messias

Nederland was er met de Wagner-gekte snel bij, hoewel de componist ons land nooit bezocht. Maar aan een polemiek over zijn werk bestond hier weinig behoefte.

Wagner-dassen, bierglazen, `Fricka-zalm' en `Rheingold-champagne' – al meteen vanaf de première van Der Ring des Nibelungen in 1876 gingen de Festspiele in Bayreuth gepaard met commercie. Voor de Wagneraanhangers was dat een diepe teleurstelling. De toegangsprijs van 300 Mark had oppervlakkige pottenkijkers niet buiten de deur gehouden, zoals de Wagneriaanse publicist Jacques van Santen Kolff had gehoopt, maar er juist voor gezorgd dat de uitvoering van de Ring vooral een society-evenement dreigde te worden.

`Van Bayreuth begint de Victorie!' had Van Santen Kolff, die voor de NRC in 27 afleveringen berichtte over het festival, van tevoren voorspeld. Hij noemde de componist `de muzikaal-dramatische Messias' en de Ring `het Evangelie eener volkomen muzikaal-dramatischen belijdenis'. Maar toen het eenmaal zover was, viel het tegen. Het orkest, voor het eerst aan het oog onttrokken in de overkapte concertbak, en de zangers waren uitstekend. Maar de decors, waarin de godenwereld zo `realistisch' mogelijk was weergegeven, waren soms knullig. Ook de lengte van Wagners muziekdrama's vormde voor sommigen een obstakel. `Als Wagner zich eenmaal in het zadel zet, jaagt hij zijn paard dood', schreef een recensent. Marcellus Emants, ook in Bayreuth, wantrouwde Wagner. De luxe levensstijl van de componist, die in elk vertrek van zijn villa een buste van zichzelf had staan, was volgens Emants in grote tegenspraak met diens hooggestemde idealen.

Nederlanders waren in de eerste jaren goed vertegenwoordigd in Bayreuth, laat de historica Josine Meurs zien in Wagner in Nederland 1843-1914. Ze reconstrueert minutieus hoe Wagners muziek in Nederland doordrong: wie wat speelde op welk moment, wat erover geschreven werd. Daarnaast behandelt ze Wagners invloed op het culturele leven, niet alleen in de muziek, ook in de literatuur, architectuur en beeldende kunst. Het boek geeft een mooi beeld van het Nederlandse muziekleven in de negentiende eeuw, met nuttige vergelijkingen met de Wagner-receptie in Duitsland en Frankrijk. Meurs vertelt haar verhaal bovendien vlot en met veel mooie anekdotes.

Wagners muziek en ideeën beleefden een gestage, maar relatief snelle opmars, die minder conservatieve tegenwerking ondervond dan de Wagnerianen deden voorkomen. Volgens Meurs, eerder co-auteur van een boek over de Nederlandse Wagnervereeniging, Geheel in de geest van Wagner, stond Wagners succes in schril contrast met het romantische zelfbeeld van de Wagnerianen, die graag geloofden dat ze in een heroïsche strijd verwikkeld waren tegen machtige conservatieve krachten. Meurs maakt ook duidelijk dat er weinig klopt van het beeld van Nederland in de negentiende eeuw als een cultureel ingedommeld land, dat pas werd wakker geschud door de Tachtigers.

Aan het einde van de jaren vijftig was Wagner hier al een bekende naam, in de jaren zestig raakte zijn muziek ingeburgerd en na de première van de Ring ontstond zelfs een Wagner-hausse in Nederland. Er werden `Wagnerconcerten' gegeven, waarbij uitsluitend zijn muziek ten gehore werd gebracht – een zeer uitzonderlijk eerbetoon voor een levende componist. Na zijn dood in 1883 werd de Wagnervereeniging opgericht, die zich erop toelegde modeluitvoeringen te brengen van zijn werk, aanvankelijk in concerten, later in scènische uitvoeringen waarvoor kosten noch moeite werden gespaard. Wagners theorieën over het Gesamtkunstwerk waren een bron van inspiratie voor het steven naar een nieuwe `gemeenschapskunst'.

Degeneratie

In de naturalistische en decadente literatuur stond de muziek van Wagner daarentegen symbool voor degeneratie, wat zowel positief als negatief kon worden geduid. De Oostenrijkse arts en schrijver Max Nordau noemde in zijn omstreden Entartung (1892-1893) een overdreven gevoeligheid voor muziek een van de voornaamste kenmerken van degeneratie, en de Wagnerianen waren het ergst. Vergelijkbare ideeën zijn te vinden bij Couperus, Emants en Frederik van Eeden. Nordaus tegenstelling tussen gezondheid en degeneratie keert terug in Van Eedens Van de koele meeren des doods (1900). Van Eeden koppelde Wagners muziek aan het kwaad, de stad en erotiek, terwijl hij Bach associeerde met de natuur, onthouding en eenvoud. Over de muziek van Tristan und Isolde schreef hij: `Ze schept geen ethische sfeer, doet niet handelen. Ze sleept mede, bekoort, doet genieten – maar verdooft en maakt indolent. Menschen die gestadig in muziek gaan leven gaan ethisch, dus in levenskracht, achteruit.'

Het is vaak moeilijk te bepalen welke invloed Wagner nu precies heeft gehad op andere kunstvormen, aldus Josine Meurs, maar vast staat dat zijn invloed op het Nederlandse muziekleven groot was. Een van de belangrijkste vernieuwingen is dat muziekuitvoeringen een eigen artistieke status krijgen. In de aanloop naar de Ring-première werd voor het eerst uitgebreid geschreven over decorbouwers, kostuumontwerpers en technici. Meurs schrijft: `De uitvoering zelf kreeg nu status. De eisen die Wagner stelde, werden overdreven en hoogmoedig gevonden maar hij verschoof de norm.' Dat bleek duidelijk bij de uitvoeringen van de Wagnervereeniging. De leden van het koor, amateurs afkomstig uit gegoede kringen, waren bereid zich uit te dossen als `de bont-kleedige, de ruig-gebuiste, de wijd-gebroekte, de rossig-bebaarde, de wild-behaarde' Germanen in Götterdammerung. Dat was iets heel bijzonders.

Wagner had ook invloed op de muziekgeschiedschrijving. Het aanzien van de Italiaanse opera daalde, terwijl de opera in het algemeen een hogere status kreeg, vooral de Duitse. Hij droeg veel bij aan de afnemende waardering voor Mendelssohn, die totdat Wagner de aanval opende (onder meer in zijn beruchte antisemitische opstel Das Judentum in der Musik uit 1850) werd gezien als een componist van de hoogste rang. Toch heeft het antisemitisme van Wagner geen school gemaakt in Nederland. De heruitgave van Das Judentum in der Musik in 1869 bracht Wagner in opspraak. Zijn antisemitisme werd toegeschreven aan persoonlijke frustratie, gebrek aan succes en zelfs muzikaal onvermogen.

Opmars der modernen

Ook Wagners revolutionaire theorieën over het `Kunstwerk der Toekomst', waarin alle afzonderlijke kunsten gezamenlijk zouden moeten opgaan, stuitten op weerstand. Hij zou met die ideeën de zelfstandigheid van de muziek bedreigen, omdat hij muziek ondergeschikt maakte aan drama. De filosoof Cornelis Willem Opzoomer keerde zich tegen deze grensvervaging in de kunsten. Hij hekelde componisten die zich geen beperkingen oplegden en zo terecht kwamen bij `de meest dwaze overdrijving', waarbij hij zeker ook Wagner bedoelde. De Amsterdamse hoogleraar esthetica en kunstgeschiedenis Allard Pierson beschouwde Mozart als de hoogste waarheid in de muziek en verzette zich tegen het subjectivisme van de romantische kunstopvattingen, waardoor de oude `regelen der schoonheid' in de knel kwamen.

Johannes Verhulst is de geschiedenis ingegaan als de grootste vijand van de moderne richting in de muziek. Hij was als componist en dirigent een spil van het Nederlandse muziekleven en weigerde muziek van Berlioz, Liszt en Wagner uit te voeren. Maar ook zijn verzet kon de opmars van de modernen niet stuiten. Verhulst raakte uiteindelijk zijn baan als dirigent kwijt door zijn hardnekkige conservatisme. In Nederland raakte de discussie niettemin nooit zo gepolariseerd als in Duitsland, waar de nieuwe Duitse school lijnrecht stond tegenover de conservatieve school van de Weense criticus Hanslick en Brahms. Nederlandse auteurs kozen aanvankelijk een middenpositie. Muzikale vernieuwing viel te prijzen, maar wel met respect voor de traditie. Hevige polemiek als in Duitsland werd niet op prijs gesteld.

Wagners revolutionaire verleden werd (ook door hem zelf) onder het tapijt geveegd. In het revolutiejaar 1849 was Wagner in Dresden de barricaden opgegaan. In deze periode was hij van mening dat het Gesamtkunstwerk pas tot leven zou kunnen komen na een maatschappelijke revolutie. Over die ideeën werd in Nederland echter nauwelijks geschreven. Hoe populairder Wagner werd, hoe meer hij onderdeel werd van het establishment. Pas bij de socialistische leider Henri Polak maakt de revolutionaire Wagner een comeback. Polak typeerde Siegfried, de held van de Ring, als de archetypische arbeider, de `levenverwekkende held', die zelf de wapens smeed die hem uiteindelijk de overwinning zullen brengen.

Wagner heeft zelf nooit veel naar Nederland omgekeken en is hier ook nooit geweest. Aan de Nederlanders heeft die gebrekkige belangstelling niet gelegen, zo blijkt uit dit boek. Nederlandse fans kregen geen directe toegang tot de meester. Van Santen Kolff had wel de naam bekend te zijn in Wagners kringen, maar hij was vooral een fervent handtekeningenjager. Zijn enige contact met Wagner zelf bestond eruit dat hij de componist ooit een tonnetje haring heeft gestuurd. Waarvoor Wagner hem hartelijk dankte.

Josine Meurs: Wagner in Nederland 1843-1914. Walburg Pers, 415 blz. €29,95

    • Peter de Bruijn