Een heylich glorieus wijf

Het blijft een moeilijk te vatten mengsel dat twaalfde- en dertiende-eeuwse mystici vervaardigden van geloof, exaltatie, seksualiteit en innerlijke beleving. Lees je eróver dan lijkt het niet zo ingewikkeld – dat verzet tegen de rede als enige mogelijkheid om iets van het goddelijke te leren kennen; wij lateren weten dat het hart zijn redenen heeft die de rede niet verstaat. En dat er iets van `het hart' in het geloof moet zitten, dat is eerder gemeengoed dan opzienbarende nieuwlichterij. Het probleem is tegenwoordig juist dikwijls om de rede niet (tijdelijk) terzijde te schuiven.

Dat was anders in de twaalfde eeuw. Het waren vooral vrouwen die deze nieuwe richting uitgingen en die zich, vaak buiten de kerk om waar de mannelijke rede heerste, in groepjes verenigden en met elkaar een uiterst sober en godvruchtig leven leidden. Begijnen werden ze genoemd, en men vermoedt dat de mystica Hadewijch, die in de eerste helft van de dertiende eeuw leefde, één van hen was, wellicht de leidster van zo'n groep.

De volgelingen van de nieuwe richting – maar zij niet alleen, de grote Bernardus van Clairvaux ging hen voor – legden de nadruk op persoonlijke ervaring van/met God. Ze wilden minder theologiseren dan wel ondervinden, minder denken dan voelen, ze wilden God beleven. En dat beleven vond niet plaats in de vorm van een natuurervaring of iets dergelijks, het ging hier om een vereniging met God en wel vooral in zijn gedaante van Mensenzoon. Het woord `vereniging' kan, blijkens de overgeleverde visioenen, bijna niet letterlijk genoeg genomen worden.

Bernardus spreekt over het onuitsprekelijk heerlijke van het naderen van die `goddelijke mond' en Hadewijch beschrijft in een Visioen eerst haar begeerte (`doe was mi van begheerleke minne soe vreseleke te moede') en vervolgens haar ontmoeting met de Mens in de gedaante van een mooie, aantrekkelijke man die haar eerst zijn lichaam schenkt via het sacrament, maar daarna `kwam hij zelf bij me en nam me helemaal in zijn armen en trok me tegen zich aan. En al mijn leden voelden de zijne naar heel hun genoegen, zoals mijn hart en mijn mens-zijn begeerden'. (vertaling Frans van Bladel) Ze beschrijft haar bevrediging in deze omhelzing en de uiteindelijke versmelting met de mooie man: `het leek me op dat ogenblik dat we één waren zonder onderscheid'. Deze ervaring noemt Hadewijch `minne'.

Minnelyriek

Die Minne klinkt ons, hedendaagse lezers, heel bekend in de oren, we zijn ook allemaal wel eens verliefd geweest en kennen het verlangen naar de geliefde, naar zijn omhelzingen, naar het éénzijn (`ik wou dat ik even u kon zijn' dichtte Gorter). Ook de dertiende-eeuwse `lezer', meestal toehoorder, was daar natuurlijk mee bekend, bovendien werd de liefde op vergelijkbare wijze bezongen in de hoofse minnelyriek, waaraan Hadewijch veel van haar vormen en technieken ontleende.

Toch zal het voor de meesten van ons iets wonderlijks blijven, dit zeer intieme verkeren met de instantie die tegelijkertijd het grootste mysterie wordt genoemd. Voor de tijdgenoot zal het minder ondenkbaar zijn geweest om God zo innig omhelsd te zien door een begijn, want Hadewijch genoot al spoedig een reputatie tot in Duitsland toe en werd gelezen tot in de zestiende eeuw, waarna ze, als alle middeleeuwse auteurs, vergeten werd. Pas in de negentiende eeuw werd haar werk teruggevonden en opnieuw onder de aandacht gebracht. Vaak kom je de woorden tegen die de veertiende-eeuwer Jan van Leeuwen, kok van het klooster Groenendaal waar de mysticus Jan van Ruusbroec prior was, over Hadewijch schreef: `een heylich glorieus wijf'. Haar werken hebben zeker invloed gehad op Ruusbroec en zijn kring. Blijkbaar inspireerden Hadewijchs voorstellingen van een goddelijke omhelzing en versmelting hen.

Hadewijch liet het overigens niet bij de beschrijving van verrukkingen – het één worden met God in minne moest als uitgangspunt voor het hele leven en handelen dienen, vanuit de minne kon men, en moest men, werken en leven.

In haar brieven aan (vermoedelijk) medebegijnen moedigt ze die aan om ook zo met God te verkeren. Wat dat werkelijk betekent zullen zij ervaren als ze zich ook aan hem overgeven (`o wi, so suete so Minne es, waeromme en valdiere niet diep inne') en dan pas zullen ook zij deze `onseggheleke weeldeleke weelde' kennen. Want onzegbaar blijft het, hoe beeldend en meeslepend de beschrijvingen van haar sensaties soms ook zijn.

Verlatenheid

De andere kant van al deze heerlijkheid is het ontbreken van de minne, daarover gaan de strofische gedichten. De kou, het verlangen, de verlatenheid die de mens bevangt als de minne niet `so suete' is. Dat is ook een bekend onderwerp uit de mystieke literatuur – geen mysticus of hij of zij wordt op een gegeven moment ook door God verlaten, precies als Jezus. Maar dat mag niet afschrikken: ook het menselijke van God moet samen met hem beleefd kunnen worden, al is dat minder aantrekkelijk.

Van het leven van Hadewijch is zo goed als niets bekend, de literatuurgeschiedenis en de latere lezers hebben het moeten doen met haar 28 brieven, 45 strofische gedichten en elf Visioenen. Die worden eens in de zoveel tijd heruitgegeven, dat wil meestal zeggen gebloemleesd. In 1943 werd ontdekt dat het laatste gedicht van Hadewijch precies paste bij de melodie van een Maria-gezang, en sindsdien is er meer onderzoek gedaan naar mogelijke bij de gedichten horende melodieën. Er zijn er nu, volgens Anikó Daróczi, de samenstelster van Ende hier omme swighic sachte, zes gevonden, die allemaal op de bij het boek horende cd te horen zijn. In dit boek wordt de nadruk gelegd op het belang van het beluisteren van Hadewijchs taal, op haar muzikaliteit. De cd laat niet alleen op muziek gezette gedichten horen maar ook veel brieffragmenten. Ze worden iets te hoorspelkern-achtig voorgedragen door Marijke van Campenhout en zijn soms vrijwel onverstaanbaar zacht opgenomen. Het zingen op deze cd is daarentegen beeldschoon.

Dat is andersom op de cd die bij het eveneens recent verschenen Die minne es al, is uitgebracht. Daarop wordt goed en verstaanbaar voorgelezen, met minder uithaaltjes en zuchten, het zingen daarentegen is ook wat gewoner. Die minne es al is een door Hadewijch-kenner Frans van Bladel samengestelde bloemlezing. Hij geeft slechts fragmenten uit de brieven en geselecteerde strofen uit de gedichten zonder ooit aan te geven waar de inkortingen hebben plaatsgevonden. Zelfs houdt een gedicht op een gegeven moment midden in een strofe op. Van Bladel schrijft in zijn nawoord opgewekt dat hij ook sommige strofen van plaats heeft doen veranderen om een en ander aantrekkelijker en doenlijker te maken voor de lezer. Een dode dichteres kan er niet tegen protesteren.

Anikó Daróczi: Hadewijch, Ende hier omme swighic sachte. Atlas, 168 blz. €16,50

Frans van Bladel: Die minne es al. Davidsfonds, 114 blz. €24,90

    • Marjoleine de Vos