Dag man zonder naam

In Groningen en Amsterdam begeleiden dichters, in opdracht van de stad, anonieme doden naar hun laatste rustplaats. ,,Op de schaarse gegevens over de dode bouw ik een gedicht.'

Voorzichtig tillen vier in het zwart geklede dragers de blankhouten kist op de baar. Aan weerskanten brandt een kaars. De uitvaartleider van de begraafplaats Selwerderhof in Groningen zegt: ,,We gaan afscheid nemen van iemand van wie niemand de naam weet. Om onze gedachten woorden te geven, nodig ik stadsdichter Bart FM Droog uit naar voren te komen.' De aula is leeg. Op de eerste rij zitten twee ambtenaren van de afdeling Burgerzaken, belast met uitvaarten. Een rechercheur is aanwezig en een fotograaf van de politie. Hij legt de beelden vast: de kist en de voorlezende dichter, de aanwezigen, de laatste groet aan het graf.

De dode die deze waardigheid ontvangt, is bij niemand bekend. Nadat het politiebericht verscheen in de kranten heeft zich vriend noch vriendin, nabestaande of wie dan ook gemeld. Zijn dood wordt vermoedelijk door geen enkeling betreurd. De uitvaartleider heeft een toepasselijke naam op de envelop met de papieren geschreven: `N.N. Boterdiep'. Het lijkt een gewone Hollandse achternaam, maar de drenkeling dankt die aan zijn vindplaats, het Boterdiep, een Groningse gracht. Stadsdichter Bart FM Droog noemt het gedicht dat hij ter nagedachtenis aan de dode opdraagt `N.N. 11 12 2002', de dag van de begrafenis. Wanneer hij te water raakte, is onbekend.

Een woonbootbewoner ontscheidde 's nachts op het donkere water een vorm die aanvankelijk op een kussen leek. Hij keek nog eens en ontdekte dat het een lichaam was dat met het gezicht naar voren in het water dreef. Hij belde de politie. Die gaf de volgende verklaring: ,,In de nacht van 19 november 2002 is in het Boterdiep het lichaam van een donkere man gevonden, vermoedelijk afkomstig uit Noord-Afrika. Het lijk is in staat van ontbinding en kan niet nader geïdentificeerd worden. Ogenschijnlijk is van geweld geen sprake. De man mist armen en benen.' Later zal Bart Droog zeggen: ,,Misschien is de man enkele keren door een scheepsschroef geraakt.' Hij vervolgt: ,,De man kan ook `NN 19 11 2002' heten, de dag van de lugubere vondst.' Droog is per 1 februari 2002 benoemd tot stadsdichter van Groningen in navolging van Jan Eijkelboom, de stadsdichter van Dordrecht. Bij aanvaarding sprak hij de wens uit voor de onbekende doden een vers voor te mogen lezen.

Droog gaat passend in het zwart gekleed. Hij komt naar voren en leest, af en toe een blik werpend op de kist, een gedicht voor van zes strofen. Er klinkt geen muziek. De afwezigheid van dierbaren en de anonimiteit van de dode leiden tot onbeantwoordbare gedachten: had deze man een vrouw, geliefde, kinderen misschien? Is er nu werkelijk niemand die weet heeft van zijn dood daarginds in Noord-Afrika? Ook de dichter heeft zich deze vraag gesteld; hij leest: ,,Weet je, ik kan niet geloven/ dat nergens op deze globe/ er iemand is die aan je denkt'.

Geheel volgens het ritueel volgt de vraag of er nog iemand is die iets wil zeggen. Niemand. Dan zwaaien de deuren open en de vier dragers verschijnen. De uitvaartleider zegt: ,,Ik ga nooit onvoorbereid naar mijn werk.' Aan het open graf leest ook de uitvaartleider een gedicht voor, over herfst en lente die komen en weer gaan. De paar aanwezigen zijn ontroerd. De politiefotograaf legt alles vast. Misschien, ooit, zal iemand zich melden. Dan kunnen foto's worden getoond, het gedicht gelezen.

Tijdens de kopjes koffie, twee, vertelt de ambtenaar van Burgerzaken dat de eenzaamheid in de maatschappij toeneemt. Steeds vaker liggen mensen weken- of zelfs maandenlang dood in huis, door niemand gemist of opgemerkt. De oorzaak van de volstrekte anonimiteit van N.N. Boterdiep ligt in zijn vermoedelijk illegale status. Zouden andere illegalen hem al kennen, dan melden ze zich niet uit angst voor de politie, zegt de rechercheur. Toch hoeven ze niet bang te zijn. Bij een begrafenis mag de politie niet ingrijpen.

Epibreren

Voordat Bart FM Droog dichter van de stad werd, publiceerde hij de dichtbundels Deze dagen (1998) en Benzine (2000). Ook werkte hij mee aan een bloemlezing Nederlands-Russische poëzie en richtte hij in 1994 het kunstzinnige genootschap `Dichters uit Epibreren' op. Vorige week verscheen de door hem samengestelde bundel In memoriam Prins Claus, gedichten naar aanleiding van het overlijden van de prins-gemaal. Droog schrijft hierin: ,,Het zal je gebeuren: jij, wereldburger/ belandde in de liefde en voor je het wist/ verzandde je in een land van verstikking.'

Na afloop van de plechtigheid, die al met al een uur duurde, zijn we de enige gasten in een Chinees restaurant. Ik vraag of hij een bijzondere funeraire belangstelling heeft: ,,Ik ga elk jaar wel een keer naar de graven, de carrés, in de zuidwesthoek van Vlaanderen. Daar is de Eerste Wereldoorlog zo tastbaar, zo geconcentreerd aanwezig. Op de begraafplaatsen van Nederland is me opgevallen dat de stenen steeds barokker worden, vergulde teddyberen en zo. Vroeger was alles soberder, een steen met de gegevens erin gebeiteld. Meer niet.'

Droog, geboren in 1966 in Emmen, komt voort uit de punkbeweging. Hij trad op met bands die ska of punk speelden. Hij was `klaroenist', maar de poëzie eiste hem steeds meer op. Zijn liefde werd gewekt door het gedicht `Afsluitdijk' uit Parken en woestijnen (1940) van Vasalis met als eerste regel `De bus rijdt als een kamer door de nacht'. ,,Mijn belangstelling voor de anonieme dode, de naamloze soldaat', denkt hij hardop, ,,komt misschien voort uit het lot van mijn oom Niek. Die is nooit gevonden. Het laatst is hij gezien begin mei 1945 tijdens een van de dodenmarsen uit de concentratiekampen, Sachsenhausen in zijn geval. Bij de komst van de Amerikanen wilden de Duitsers alle sporen uitwissen. De gevangenen moesten op schepen geladen worden, die de zee zouden opvaren. De Duitsers hoefden ze zelf niet eens op te blazen. De geallieerde jagers of bommenwerpers deden dat wel. Dat is wat mij in oorlog intrigeert en vooral beklemt: de absurditeit ervan, hoe de mens verandert door oorlogsomstandigheden.

,,Tot nu toe schreef ik drie gedichten voor een naamloze dode. Van een man, thuis gevonden, wist ik dat hij een vriend had. Deze vertelde dat zij tanks en oorlogsvliegtuigen in miniatuur bouwden. Ik wijdde mijn gedicht aan tanks, die tijdens de Slag aan de Somme in 1916 voor het eerst werden ingezet. Dat jaar was toevallig het geboortejaar van de man. Maar zijn kennis wilde niet dat er gedichten werden voorgelezen, de dode had een afschuw van poëzie. En als muziek moest Richard Tauber gedraaid worden of Duitse soldatenliederen. Ik heb toen van deelname afgezien.

,,Mijn gedicht dient niet tot troost. Mijn gedicht is een laatste eerbetoon aan de overledene. Daar ligt iemand die mens is geweest en nu is hij niets, kennelijk onbemind. Maar emotie ervaren is niet hetzelfde als emotie in poëzie leggen, dat zou verkeerd zijn. De informatie die ik via Burgerzaken van de politie krijg, is koel en zakelijk. Op schaarse gegevens bouw ik een gedicht.'

Drugs en drank

De poëzie van Bart FM Droog is ritmisch, beïnvloed door een on-poëtische stroming als punk: ,,Ik wil met mijn voordracht een verrassing bij het publiek teweegbrengen. Daarom houd ik van muzikale ondersteuning. Het voorlezen van een memoriamgedicht is meer dan een ceremonie. In juni benam een verslaafde aan drugs en drank zich in zijn woning het leven. Zijn naam was bekend, John Mulders. Aan zijn inderhaast opgespoorde zuster vroeg ik enkele gegevens. Deze Mulders, afkomstig uit Rotterdam, was korte tijd getrouwd geweest en hij had een kind. Niemand had het ooit gezien. In mijn gedicht, dat op de website staat van De Dichters uit Epibreren, noem ik zijn volledige naam, dus niet alleen de initialen. Wegen het kind. Mocht dat ooit iets over zijn of haar vader via internet willen achterhalen, dan kan dat. Ik maak geen standaardgedicht. Elke dode heeft zijn eigen verhaal. Ik schrijf zo'n gedicht in twee fasen. Eerst maak ik aantekeningen naar aanleiding van het doodsbericht, op de ochtend van de begrafenis voltooi ik het. Tijdens het voorlezen welden bij de zuster van John tranen op. Dat is goed. Zij nam afscheid van hem met gevoelige, lieve woorden. Op het laatste ogenblik was ze toch nog gekomen.'

Het aan deze man opgedragen `papieren monument' heet `I.M. John Mulders': ,,Wat is er gebeurd/ dat jij, 41 jaar/ verkoos te sterven// in een naamloos huis/ op een onbekende dag/ in deze trotse stad// John, wat waren/ je naam, je jeugd/ je liefdes, je plezier// ga en vind vrede/ wals in de wolken/ boven deze stad// en huil nimmermeer.'

Droog: ,,Het was een surrealistische ervaring met die lege stoelen, de houten kist met John daarin, de begrafenismuziek en het besef dat ergens van hem een kind moet zijn. Het geeft te denken over de raadsels in iemands leven, over hoe een bestaan verloopt en welke tragiek daarin schuilt. Wanneer er onverhoopt toch nog familie of vrienden komen opdagen, dan ben ik niet alleen de dichter van de laatste woorden, ik stel me ook enigszins als sociaal hulpverlener op. Aan de ontmoeting met de zuster van John Mulders bewaar ik mooie, dierbare herinneringen.'

Nee, het kind van John Mulders heeft zich nooit gemeld. Wel kwam Bart Droog ter ore dat het kind, een meisje of jonge vrouw, samen met haar moeder veel later alsnog het condoleanceregister tekende.

Het initiatief van Bart FM Droog heeft in Amsterdam navolging gekregen. Dichter Frank Starik heeft gesprekken met de gemeentelijke uitvaartbeambten gevoerd. In de hoofdstad worden elk jaar zo'n twaalf onbekende, niet nader identificeerbare lichamen gevonden in het grachtenwater, langs de slootkant of in leegstaande huizen. Dat is vier tot vijf keer zoveel als in Groningen. Zijn voorstel noemt Starik `Poule des Doods' want, in tegenstelling tot Bart Droog, heeft hij een aantal dichters uitgenodigd deel te nemen aan de stille uitvaart, onder wie Simon Vinkenoog, Menno Wigman en Neeltje Maria Min. Starik benadrukt dat de voordracht een `delicaat karakter' heeft, die in alle bescheidenheid plaats moet vinden. ,,De illegalen, zwervers, oude junks, verwaarloosde bejaarden, slachtoffers van misdrijven van onduidelijke aard, professionele dronkenlappen', aldus Starik, ,,verdienen dat er tussen hen en de dichter een oprechte band bestaat.' De dichter handelt niet uit voyeurisme, eerder uit empathie met de naamloze dode. In Groningen valt de uitvaart onder Burgerzaken, in Amsterdam onder de Sociale Dienst, afdeling Inkomensbeheer en Uitvaarten. De begrafenis komt op kosten van de gemeenschap. De dichters krijgen een vergoeding voor het schrijven en voordragen van de gemeente.

Vrieskoud

Op maandag 9 december om tien uur in de ochtend treedt Rogi Wieg op als `dichter van dienst' die `het eenzaam uitvaren', zoals Starik het noemt, betekenis gaf op de katholieke begraafplaats St. Barbara aan de Spaarndammerdijk. Er schijnt een heldere zon, het is vrieskoud. De dode was een vrouw, gevonden in een lift maar daar niet gestorven, door onbekenden erheen gebracht. Er waren geen sporen van geweld. ,,Ze moet gekend zijn', meent Frank Starik, ,,maar niemand, helemaal niemand komt haar de laatste eer bewijzen. Bitter, bitter lot.' Rogi Wieg leest, na het `Air' van Bach, zijn gedicht voor. Vervolgens legt hij het in een plechtig, liefkozend gebaar op de kist. Een strofe eruit luidt: ,,De aarde haalt de doden uit elkaar, de aarde doet wat haar werd opgedragen/ door een God of door de leegte, je weet wel hoe het gaat./ De witte anatoom, hij weet het meeste, maar is altijd veel te laat.' Wieg staat met zijn rug naar de toehoorders, onder wie twee rechercheurs. Hij spreekt de dode rechtstreeks aan. Later op diezelfde dag richt Frank Starik zich tot een dode man die Schuwer heet. Hij werd dood op het balkon aangetroffen, dag en nacht zat hij daar op zijn bank of stoel. Geen achterbuurvrouw merkte hem op.

,,Hoe schrijft men een gedicht over niemand?' vraagt Starik zich af. Hij heeft een nieuwe melding gekregen van een anonieme dode. De jonge man is gevonden in een flat in de Bijlmermeer, waarschijnlijk afkomstig van Ghana, Ivoorkust of daaromtrent. Nadat de klanken van Classic FM zijn weggestorven, gaat Starik op de begraafplaats St. Barbara achter de lessenaar staan. Hij weet zelfs niet in welke taal de man sprak. Zijn gedicht heet `N.N': ,,Dag man zonder naam, ik groet u, onderweg/ naar 't laatste land waar ieder welkom wordt geheten.// Wie dan heeft u liefgehad? In welke kamers sliep u,/ wie trok uw lakens strak, wie draagt uw hemden af?// Wie zoekt u nog? Wie weet nog waar u vandaan kwam?/ Wie heeft de stem gehoord, die u toen riep/ naar uw laatste haven, Amsterdam.'

Onverwachts komen toch nog op de uitvaart vrienden langs, vierentwintig illegalen uit Ivoorkust of Ghana, woonachtig in de Bijlmer. Hoe ze van de plechtigheid weten, is een raadsel. Op de vraag hoe de dode heette, krijgt de uitvaartleider vijf verschillende antwoorden. De anonieme man N.N. Bijlmermeer is nu met vijf voornamen begraven. Starik dicht: ,,Ik kom te laat. Ik heb u niet gekend.'

In memoriam Prins Claus, gedichten. Uitg. Passage, Groningen. €13,80. Bart FM Droog: Deze dagen. Uitg. Passage, €8,80; Benzine, Uitg. Passage, €11,34

    • Kester Freriks