Castro uit de Veenkoloniën

Herfst 1956 belegerden woedende Amsterdammers het hoofdkwartier van de Communistische Partij Nederland aan de Herengracht, nadat de Russen in de straten van Boedapest de Hongaarse opstand bloedig hadden neergeslagen. Fré Meis, de belangrijke partijbons en vakbondsman uit Groningen was er niet bij. Hij had 's nachts met zijn gezin via het dak zijn woning verlaten om onder te duiken bij een tante. De vlucht betekende het einde van zijn opmars binnen de CPN. Zijn houding werd door het partijbestuur afgekeurd en er kwam een ander op zijn plaats in het dagelijks bestuur.

Het nachtelijk avontuur uit 1956 staat beschreven in het kijk- en leesboek Fré Meis (1921-1992) door de journalist Leo Siepe en de historicus Gerrit Voerman. Zij ondernamen `een poging zijn leven te reconstrueren en iets van zijn drijfveren in beeld te brengen'. Het plan van een biografie zou Meis volgens de auteurs `ongetwijfeld hebben verworpen'. Dat hoeft geen reden te zijn om het er bij te laten zitten. Het leven van de ruim tien jaar geleden gestorven Meis zou misschien toch rijk genoeg zijn geweest voor een echte biografie in de plaats van dit werkje, dat te veel vragen onbeantwoord laat. Over zijn drijfveren, die hem tot voorman van de Oost-Groningse arbeiders maakten, komt de lezer weinig te weten. Hetzelfde geldt voor de reizen naar het Oostblok en voor zijn dwangarbeid in de Tweede Wereldoorlog. Zijn rol bij de verwijdering van Henk Gortzak en anderen uit de partij komt slechts kort ter sprake. Onvolledig is ook het beeld van Meis en de CPN in de gemeenteraad van Groningen. Het aandeel van de communisten in het afspiegelingscollege daar kan eerder reactionair dan revolutionair worden genoemd. Als het aan hen had gelegen was de Grote Markt nu een verkeersplein.

Het beeld van de vluchtende Meis laat zich moeilijk rijmen met dat van volle zalen of fabriekshallen waar de damp tegen de ruiten sloeg en de bijna twee meter lange, briesende stakingsleider dreigde de gaskraan dicht te draaien als `Den Haag' het noorden niet te hulp zou komen. Maar dan zijn we alweer vijftien jaar verder. Als er iemand tot zo'n actie in staat is, dachten velen toen, dan is het wel Fré Meis. En regering en Tweede Kamer huiverden keer op keer als `de Fidel Castro van de Veenkoloniën' zijn dreigement liet horen. Maar Meis kon de sluitingen van de strokarton- en andere industrieën in het noorden niet tegenhouden.

Siepe en Voerman beschrijven ook (te kort) het succes dat Meis en zijn partijgenoten hadden met hun `volkscongressen', die officieel voor alle partijen en alle gezindten waren. Een soort voorloper van het in deze tijd nog volop besproken referendum. De congressen behandelden alle thema's die voor het noorden van belang waren, maar centraal stond dat Groningen geen wingewest mocht worden. Voorzitter van zo'n congres was de socioloog in wording Pim Fortuyn. Toen nog een enthousiast voorstander van de sociaal-democratie.

Leo Siepe en Gerrit Voerman: Fré Meis, 1921-1992. Handelsreiziger in revoluties Walburg Pers, 102 blz. €17,95

    • Harm van den Berg