Amerika volgt tegen Saddam noodlotscenario

Zijn Iraks massavernietigingswapens de boosdoeners of toch niet? In ieder geval bestaat er onder de oppervlakte een stevig meningsverschil tussen Europeanen en Amerikanen over de redenen van hun politieke en militaire inspanningen met betrekking tot dat land, meningsverschillen die dieper gaan dan de verschillen die zich openbaren tussen de Europese landen onderling.

De regering-Bush II betrad het Witte Huis met het vaste voornemen het karwei af te maken dat Bush I had laten liggen: Saddam Hussein verwijderen uit de macht in Bagdad.

Daar waren op zichzelf weer verschillende redenen voor, maar een ervan was een zeer persoonlijke. Saddam moest worden bestraft voor zijn voorgenomen moordaanslag op Bush senior tijdens diens bezoek als voormalig staatshoofd en bevrijder van Koeweit. Voor opvolger Clintons weinig indrukwekkende represaille destijds met enkele kruisraketten hadden de Bushies slechts de diepste minachting. In zoverre is een aanval op Irak voor de zittende regering ook een voortzetting van de binnenlandse politiek met andere middelen.

Voor de Europeanen staan heel andere zaken op het spel. Als atoommogendheden van de tweede categorie dan wel als niet-bezitters van het ultieme wapen hebben zij een existentieel belang bij het instandhouden van de regels die het bezit van massavernietigingswapens aan banden leggen. Het decennia oude zogenoemde non-proliferatieverdrag dat de spreiding van kernwapens verbiedt is in de loop der jaren gecompleteerd met enkele beheersconventies met betrekking tot biologische en chemische wapens en de technologie voor de aanmaak van de raketten die deze massavernietigingswapens naar hun doel brengen. Samen vormen zij het, inmiddels uitgeholde, regime dat de wereld voor een door mensen veroorzaakte ramp moet behoeden.

Het Europese pleidooi in Washington deze zomer om de Verenigde Naties te betrekken bij de afrekening met Saddam en de internationale inspecteurs alsnog hun werk te laten doen was dan ook meer dan een tactische manoeuvre om tijd te winnen. Als Saddam voor Europa een gevaar was geworden, zoals de Amerikanen beweerden, moest dat gevaar maar bestreden worden met de meest voor de hand liggende middelen: internationale inspectie afgedwongen door een demonstratie van internationale eensgezindheid. Deze aanpak bleek bijzonder succesvol. Tegen alle verwachtingen in stemde Saddam in met de terugkeer van de VN in zijn land zonder vervolgens terug te vallen in het bekende patroon van doelbewuste en openlijke misleiding en tegenwerking.

Het manifeste Amerikaanse ongeduld met de gang van zaken tekent de kloof die de Atlantische partners scheidt. Vrijwel dagelijks komen er verklaringen uit Washington die twijfel (moeten) wekken aan de doeltreffendheid van de internationale onderneming in Irak. De troepenopbouw in de buurlanden en de aangrenzende zeeën gaat onverminderd voort. Alles bijeengenomen dreigen de Amerikaanse inspanningen hun doel voorbij te schieten tenminste als dat doel zou zijn de druk op Irak in stand te houden teneinde de VN hun werk te laten doen.

Het Amerikaanse optreden krijgt in die zin echter juist een averechts effect. Als het regime in Bagdad ervan overtuigd raakt dat er geen redden meer aan is, dat, wat de internationale bevindingen ook mogen zijn, een Amerikaans offensief niet meer te voorkomen is, valt het motief weg om aan de internationale inspectie mee te werken. Op die manier ontstaat een noodlotscenario met maar één mogelijke uitkomst: oorlog.

Alles wijst erop dat dit scenario in Washington wordt gevolgd. Afgelopen zomermaanden was het al duidelijk dat een aantal presidentiële adviseurs, de vice-president en de civiele top van het Pentagon voorop, genoeg hadden van Saddam en korte metten met hem wilden maken. Op zichzelf was dit niet verrassend, gezien de instelling waarmee deze mensen aan hun ambt waren begonnen. Maar de gebeurtenissen van de elfde september en de eerste successen in Afghanistan hadden de geesten ook buiten hun enge kring rijp gemaakt voor de finale afrekening nu.

De omweg via de VN was bedoeld als een cosmetische concessie aan de `partners', maar die concessie was, om misverstand te voorkomen, verpakt in een niet voor tweeërlei uitleg vatbare waarschuwing. Wie daaraan twijfelt leest de rede van president Bush voor de Algemene Vergadering van de VN er nog maar eens op na.

Voor Europeanen is de op handen zijnde rapportage van de twee in Irak opererende inspectieteams over hun bevindingen en werkzaamheden een belangrijk ijkpunt. Ook zonder een overtuigend resultaat dat in de toegestane tijd ook niet haalbaar is zullen zij waarschijnlijk pleiten voor continuering van de onderneming. Zolang de inspecteurs hun werk kunnen doen is aan het Europese vereiste voorlopig voldaan.

Heel anders ligt de zaak voor de Amerikanen. De gunstige periode voor een veldtocht tegen Irak is alleen al om klimatologische redenen uiterst beperkt. De concentratie van troepen en materieel laat uitstel van een offensief nauwelijks toe.

Bovendien rekent Washington erop dat critici zich zullen beperken tot een nauwelijks hoorbaar afkeurend gemompel zodra het eerste schot is gelost. De oorlogsmachine zet zich in beweging. Het is nu nog slechts een kwestie van weken.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon