Verdachten van terreur blijven in cel

Drie van terrorisme verdachte mannen blijven in voorlopige hechtenis. Dat heeft de rechtbank van Rotterdam op oudejaarsdag beslist.

De advocaten van de drie hadden verzocht om het opheffen van de voorlopige hechtenis op basis van een uitspraak tegen vier andere van terrorisme verdachte mannen. Deze waren op 13 september 2001 opgepakt op grond van een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD). De Rotterdamse rechtbank achtte hun arrestatie onrechtmatig, omdat informatie van de inlichtingendienst onvoldoende was om de mannen als verdachte aan te merken. De rechtbank sprak hen daarom op 19 december vrij.

Ook de drie mannen die nu vast zitten, werden opgepakt op basis van informatie van de AIVD. De raadslieden hadden daarom onmiddellijke invrijheidsstelling van de drie geëist. De mannen, die werden ingerekend in augustus van dit jaar, maken deel uit van een groep van twaalf verdachten die volgens justitie behoren tot een extremistische islamitische groepering. De verdachten zouden zich hebben beziggehouden met het `ronselen' van moslimjongeren voor de jihad, de islamitische heilige oorlog.

De raadkamer besloot echter de drie niet op vrije voeten te stellen. Anders dan in de eerdere zaak is de informatie van de AIVD door de landelijk officier van justitie die is belast met terrorisme getoetst op rechtmatigheid, aldus de raadkamer.

Bovendien was de informatie in het ambtsbericht zo uitgebreid en gedetailleerd, dat het voldoende grond vormde voor een verdenking tegen de mannen.

In zijn motivering verwijst de raadkamer naar de verruiming van het verdenkingscriterium in recente wetgeving, zoals de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet-BIBOB). Bovendien is gebleken, aldus de raadkamer, dat in de zaak van een van de verdachten wel degelijk een vervolgonderzoek heeft plaatshad voordat hij werd aangehouden. Bij een andere verdachte is de verdenking pas ontstaan nadat in het huis van een medeverdachte belastend materiaal was aangetroffen.