Uitbreiding Europa 1

Na Kopenhagen is het de bedoeling dat de tien nieuwe lidstaten per mei 2004 daadwerkelijk lid zullen zijn. Tegen die tijd zijn de onderhandelingen met Bulgarije en Roemenië een goed eind gevorderd. De planning is dat deze landen in 2007 zullen toetreden. In 2004 moet ook Turkije een antwoord krijgen op de vraag of, en wanneer, de onderhandelingen over toetreding kunnen beginnen.

Wat gaan we echter zeggen als Moldavië het lidmaatschap aanvraagt, of Oekraïne of zelfs Rusland? Zijn dat ook geen Europese landen? We moeten ook rekeninghouden met lidmaatschapsaanvragen van Albanië en de andere opvolgerstaten van voormalig Joegoslavië: Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Macedonië, Servië en Montenegro en Kosovo. Tevens zullen landen als Zwitserland, Noorwegen en IJsland onze gelederen ooit komen verstreken.

Eindeloos uitbreiden kan echter geen `doel op zich' zijn. Het zal de slagvaardigheid en cohesie van de Europese samenwerking ernstig belemmeren. Doen we niks, dan zal de samenwerking snel `verwateren' en afglijden naar het niveau van de Raad van Europa. Daar is op zich niks tegen, maar een stabiel en veelomvattend samenwerkingsverband is dat niet.

Op niet alle terreinen echter is de Unie even actief. Grosso modo kan men zeggen dat de economische samenwerking goed loopt. Het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid stelt echter niet zoveel voor: áls de Unie al reageert op gebeurtenissen (denk aan de Balkan-oorlogen van het laatste decennium) is het vaak te laat en te weinig. Ook de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken kan beter.

Willen we recht doen aan de ambities van de Unie-samenwerking het gaat immers om een `integratie'-proces dan zullen op termijn, naast het economische beleid, ook het buitenlandse beleid en de defensie centraal georganiseerd moeten worden. Voor justitie en binnenlandse zaken geldt in essentie hetzelfde. Het feit dat de echte criminaliteit (terrorisme, georganiseerde misdaad, drugs en mensenhandel) steeds meer grensoverschrijdend is geworden, betekent dat de lidstaten ook hier aangewezen zijn op samenwerking.

Niet alle lidstaten van de Unie zullen echter willen meedoen. Dat is ook niet bezwaarlijk, gedifferentieerde vormen van samenwerking hebben in Europa altijd bestaan. Als de fundamentele verworvenheden van vrede, veiligheid en welvaart maar niet in gevaar komen.

Achterblijvers zullen bovendien later kunnen aansluiten. Voor de nieuwe, federatieve, vorm van samenwerking zal wel (weer) een nieuwe naam moeten worden bedacht.