Sociaal beleid is geen zaak van EU

De Europese Conventie slaat met haar voorstellen over de toekomst van de Europese Unie een weg in die slecht is voor de positie van Nederland, menen Cees Oudshoorn en Wytze Russchen.

De Europese Conventie komt de komende maanden in een beslissende fase. Niet minder dan de toekomst van Europa staat ter discussie. Dit heeft nog niet geleid tot een breed debat in Nederland over de gewenste uitkomst. Dit is jammer, temeer omdat er voor ons land, zeker ook voor het bedrijfsleven, veel op het spel staat.

Nederland is is geografisch weliswaar klein, economisch is het groot. Nederland herbergt veel multinationale ondernemingen, die overal in de wereld hun producten afzetten. Een groot deel van onze welvaart en werkgelegenheid komt voort uit één Europese markt en munt. Nederland heeft daarom een groter belang bij een grote Europese binnenmarkt dan grote landen. Een sterke en goed functionerende interne markt moet dan ook onze inzet zijn in de discussie.

De werking van de interne markt mag niet aangetast worden. Sterker, hij moet verder ontwikkeld worden. Bijvoorbeeld op het gebied van kapitaalverkeer en dienstverlening. Een sterke markt vereist een sterk Europees bestuur. Oftewel een daadkrachtige Europese Commissie met het recht om initiatieven te nemen voor de verdere uitbouw van de interne markt en het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal.

Waar in de Raad en het Europees Parlement vaak nationale en deelbelangen de boventoon voeren, vertegenwoordigt de Commissie het algemeen Europees belang. Recente voorbeelden van tegenwerking van dat Europese belang door nationale lobbies zijn de moeilijkheden op het gebied van octrooien, energieliberalisatie en overnames. Met de uitbreiding wordt dit gevaar groter, alleen al doordat er meer lidstaten, en dus meer nationale belangen, bijkomen. Het communautaire model biedt zonder meer de beste waarborgen voor de positie van kleine(re) lidstaten en ook voor de rechtszekerheid voor burgers en ondernemingen.

Binnen de Conventie waait de wind helaas de andere kant op. Met de voorstellen die voorzitter Giscard d'Estaing op tafel heeft gelegd, dreigt de macht van de Europese Commissie te worden uitgehold. Dit is slecht voor de werking van de interne markt, slecht dus voor de positie van Nederland.

Alleen een sterke institutionele positie is niet genoeg. Wil de Commissie in de toekomst daadkrachtig op kunnen treden, dan moet ze zich meer richten op haar kerntaken. Van andere zaken – de EU heeft zich te veel beziggehouden met detailregelgeving – dient de Unie verre te blijven. Voorbeelden van overdreven regelzucht zijn er legio, zoals de Europese richtlijn over zwembadwater of de wens van het Europees Parlement om chocoladesigaretten te verbieden. Een Unie die teveel taken op zich neemt, kan niet effectief handelen. Zeker niet een uitgebreide Unie. Bovendien vergroot het de euroscepsis bij burger en bedrijfsleven. Daarom moet het helder zijn waar de EU wel en niet toe bevoegd is.

Selectief, door dáár op te treden waar Europa-brede grensoverschrijdende problemen om beleidsoplossingen vragen. Is daar geen sprake van dan dient de EU zich te onthouden van wetgeving. Om dit te realiseren kan een lijst met onderwerpen worden opgesteld waar de Unie geen wetgevende bevoegdheid heeft, tenzij elke lidstaat daar voorstander van is. Een `negatieve competentie catalogus'. Hiertoe behoren onder meer arbeidsmarktbeleid, lonen en arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid en sociale bescherming, en directe belastingen (behoudens grondslag-harmonisatie bij de winstbelasting).

Op alle andere beleidsterreinen buiten deze `negatieve competentie catalogus' dient de EU effectief te kunnen optreden met gekwalificeerde meerderheidsbesluitvorming. Wel moeten de initiatieven van de Europese Commissie worden onderworpen aan een kosten/baten subsidiariteitstoets, dat wil zeggen aan een toets die aantoont op welk niveau een onderwerp het meest effectief kan worden aangepakt (Europees, nationaal, regionaal of plaatselijk). Een apart toetsingsorgaan – onafhankelijk van de Europese Commissie – zou dit moeten uitvoeren.

Grote terughoudendheid is geboden als het gaat om Europees sociaal beleid. Dit is in beginsel geen zaak van de EU. Veelal is het zelfs geen zaak van de overheid maar van sociale partners. Toch ijveren de vakbeweging en NGO's ervoor zo snel mogelijk een Europese verzorgingsstaat op Europees niveau tot stand te brengen. Het is een meer dan een slecht idee. Met meer sociaal beleid op Europees niveau wordt de gemiddeld inflexibele Europese arbeidsmarkt als een deken over Europa gelegd. Dat leidt tot uitkomsten die burgers en ondernemingen verder van Europa doen afdrijven. Men moet er toch niet aan denken dat de starre Duitse arbeidswetgeving wordt opgelegd aan een land als Portugal. Of dat ons minimumloon ook in Griekenland wordt ingevoerd. Voorstanders van een verdere ontwikkeling van Europees sociaal beleid projecteren onvrede over nationaal sociaal beleid op de EU. Men kan zich beter op aanpassing van dat nationale beleid concentreren.

Het Nederlandse kabinet dreigt dezelfde fout te maken. In de inbreng bij voor de Conventie pleit het kabinet voor uitbreiding van meerderheidsbesluitvorming op het gebied van sociale zekerheid en sociale bescherming, zolang het geen financiële gevolgen voor de Staat heeft. Dit is een slecht standpunt. Europese verplichtingen inzake minimumloon hoeven niet direct tot hogere overheidsuitgaven te leiden, maar kunnen wel funest zijn voor de flexibiliteit en de concurrentiekracht van de Europese economieën.

Nederland heeft een goed functionerende Europese Unie hard nodig. Het is niet goed de rug naar Europa te keren. Maar voor een Europa dat werkt, is wel een Unie nodig die zich niet overlaadt met taken die ze niet waar kan maken. Dan loopt de EU-machine vast. Het Europa van de toekomst moet sterk en selectief zijn.

Drs. Cees Oudshoorn is directeur economische zaken en drs. Wytze Russchen is secretaris pers en parlement van VNO-NCW.