Reken je arm

Goed nieuws: de rente op de kapitaalmarkt daalt scherp, met een rendement van 4,22 procent vanmorgen voor de tienjaars Nederlandse staatlening. Een lagere rente betekent goedkoper lenen. Dat is gunstig voor bedrijven die willen investeren, of de gaten in hun balans moeten dichten. Het is ook goed voor consumenten, en met name voor de huizenmarkt. Lagere rentes vergroten de `koopkracht' van de huizenkoper, en kunnen zo de wankele woningmarkt van dit moment helpen schragen.

De rente op de kapitaalmarkt is nu – uitgezonderd de periode tussen september 1998 en mei 1999 toen de Russische en Aziatische financiële crises voor een vlucht van beleggers in obligaties zorgden – de laagste sinds de jaren zestig. Het was niet toevallig ook in het najaar van 1998 dat er discussie losbrak over de nadelen van een structureel lage rente. Want die zijn er ook.

Levensverzekeraars en pensioenfondsen hanteren een zogenoemde `rekenrente' voor hun beleggingen. Daarmee rekenen ze uit of ze aan hun toekomstige verplichtingen kunnen voldoen. Een hoge rekenrente geeft een hoge toekomstige waarde van de beleggingen, een lage rekenrente geeft een lage toekomstige waarde. In dat laatste geval moeten de premies omhoog, of moet de uitbetaling aan het eind van de rit worden verschraald. In 1998 en 1999 werd, met de lage rente als katalysator, dan ook besloten om de rekenrente omlaag te brengen, uit voorzorg. Gevolg is dat de branche nu een rekenrente hanteert van tussen de oorspronkelijke 4 procent en een veel voorzichtiger 3 procent.

Maar is dat voorzichtig genoeg? Langlopende staatsobligaties doen nu 4,22 procent en kortlopende obligaties hebben een veel lagere rente: die nadert de officiële rentetarieven van 2,75 procent van de Europese Centrale Bank. Cash doet nu minder dan de rekenrente, en obligaties doen niet veel meer.

In 1998 kon de discussie over te zonnige berekeningen nog worden afgedaan met een verwijzing naar de prettig hoge rendementen op aandelen. Maar die zijn sindsdien negatief geworden.

Tot overmaat van ramp is de koers van de euro fors gestegen. Dat betekent dat buitenlandse (dollar-)beleggingen ook nog eens waarde verliezen. Een zwakke dollar holt ook de concurrentiepositie én de Amerikaanse winsten uit van Europese bedrijven waarin belegd wordt.

Voor consument en bedrijfsleven staat daar het voordeel tegenover dat de rente door de sterke euro nóg lager kan worden. Maar voor de pensioen- en levensector is dat juist een extra tegenslag.

Wat te doen? Stilzitten, en vooral bidden dat de dollar niet verder verzwakt. Of toch maar eens een exercitie doen met een rekenrente van minder dan 3 procent.