Prins van het kapitalisme

David Rockefeller – kleinzoon van – is met een zilveren lepel in de mond geboren. Maar hij heeft niet stilgezeten, zo blijkt uit zijn memoires. Als bankier verkeerde hij met de machtigen der aarde. En al heeft hij voor veel van zijn rijkdom niets hoeven doen: `Niemand hoeft zich te schamen voor zijn zelfverdiende rijkdom.'

Terwijl buiten de noordoostenwind raast, hangt binnen, ten kantore van de familie Rockefeller op de 56ste verdieping van – wat anders? – het Rockefeller Center in Manhattan, de gedempte sfeer van ouderwetse deftigheid. Personeel loopt gehaast, maar stilletjes over zacht krakend tapijt wanneer David Rockefeller (87), de jongste kleinzoon van John D. Rockefeller, die een van de meest bewonderde en gehate kapitalisten van de vorige eeuw was, zijn entree maakt. Mister David, zoals hij wordt genoemd om hem te kunnen onderscheiden van de vele andere Mr. Rockefellers, zit elke ochtend stipt om negen uur aan zijn bureau. Zijn broer daarentegen, de 92-jarige Laurance, komt meestal pas rond elven aanzetten. ,,Mr. Laurance is een spijbelaar'', giechelt de perschef.

Mr. David is de afgelopen tien jaar druk geweest met zijn memoires. Het is voor het eerst dat een Rockefeller, uiteraard met de hulp van een team van historici, zelf het woord neemt, en dat alleen al is opmerkelijk. ,,Naar mijn mening heeft de familie in veel opzichten gedurende een lange periode een aanzienlijke bijdrage geleverd aan de samenleving'', zegt Rockefeller. ,,Dat verdient een boek, en hoewel er al veel zijn verschenen, sommige positief, andere negatief, leek het me gepast om het verhaal nu eens van binnenuit te vertellen.''

Behalve het tweedelige krijtstreep, de gouden dasspeld met initialen en de oude gouden Rolex die losjes om zijn pols bungelt, bestaat Rockefellers enige aristocratische trekje eruit dat hij, eenmaal gezeten in een fauteuil, zijn jasje weigert open te knopen. Hierdoor puilt zijn das uit in een lus onder zijn kin. Het is een detail, dat ook opvalt aan de minstens twintig jaar oude foto op de kaft van zijn boek. Al draagt hij daarop een vestje. ,,Deze das komt van Charvet, uit Parijs'', glimlacht Rockefeller, wanneer hij ontspannen poseert voor de fotograaf.

Als er oud geld in de Verenigde Staten is, dan bezitten de Rockefellers het. Het familiefortuin, meer dan een eeuw geleden bijeenverdiend dankzij grootvader Rockefellers monopolie in de oliehandel, loopt in de miljarden dollars. Weliswaar zijn er inmiddels zo'n honderdvijftig erfgenamen en nog meer goede doelen waar het geld naartoe gaat, maar dan nog zit mister David er warmpjes bij. Forbes Magazine gaf hem plaats 67 op de lijst van vierhonderd rijkste Amerikanen en schat zijn persoonlijk vermogen op 2,5 miljard dollar. ,,Niemand hoeft zich te schamen over zijn zelfverdiende rijkdom'', schrijft Rockefeller in zijn memoires, hoewel hij voor het leeuwendeel van die rijkdom niets heeft hoeven te doen. Zoals hij als kind naar school rolschaatste langs Central Park – maar wel met de chauffeur van de familie in zijn kielzog.

Over de aan zijn grootvader toegeschreven wandaden, die omstreeks de vorige eeuwwisseling concurrenten van zijn Standard Oil Company op alle mogelijke manieren zou hebben gedwarsboomd en kapotgemaakt via geheime afspraken, afpersing of sabotage, kan Rockefeller zich niet opwinden. ,,De meeste aantijgingen waren onzin'', zegt hij. ,,Je moet het oliekartel van destijds zien tegen de historische achtergrond. Ook al gebruikte grootvader harde methoden om kleine olieproducenten op te kopen, ik denk dat de meeste mensen inmiddels inzien dat de economie er baat bij had dat de oliehandel toen werd geconsolideerd. Olie was als grondstof erg belangrijk, en het werd nog belangrijker bij de opkomst van de auto-industrie. Standard was een monopolie, zeker, maar grootvader hield de prijzen laag, en daar vaarde iedereen wel bij.''

En wat te denken van de keerzijde, toen en nu, van Amerika's grote rijkdom: grote armoede? Is het niet zo dat de Amerikaanse vrije-markteconomie meer armoe met zich meebrengt dan de iets minder vrije Europese variant? Rockefeller reageert verbaasd. ,,Is dat zo? Ik ben er niet van overtuigd dat er in Amerika meer mensen onder de armoedegrens leven dan in Europa'', zegt hij. ,,In elk geval geloof ik dat de levensstandaard hier over het algemeen hoger is.'' En anders zijn er wel de vele liefdadigheidsinstellingen, waaronder eentje gerund door dochter Peggy, die zich met armoedebestrijding bezighouden, voegt zijn perschef er geruststellend aan toe.

Het is ironisch dat Rockefeller nu alweer jaren op het Family Office werkzaam is, het kantoor dat de zaken van de familie bestiert en die van enkele andere welgestelde families, met behulp van een staf van zo'n tweehonderd mensen. Want David besloot al jong geen genoegen met een symbolisch baantje te nemen. Hij wilde carrière maken in de grote boze buitenwereld. Dat is hem gelukt. Vijfendertig jaar lang zat hij, eerst als bankier en uiteindelijk als topman, bij Chase Manhattan Bank, tegenwoordig bekend als JP Morgan Chase, de tweede bank van de Verenigde Staten. In zijn memoires onderstreept hij dat de familie slechts een minderheidsbelang had in de bank, het aandeel van de familie in de voorloper van Citibank was groter. Toch geeft hij ruiterlijk toe dat hij er binnenkwam dankzij een reusachtige kruiwagen: een oom aan moederskant bekleedde een hoge functie bij Chase.

Nu moet het lastig voor een Rockefeller zijn om géén gebruik te maken van connecties van de familie, simpelweg omdat er zoveel connecties zijn.

John Davison Rockefeller I begon in Ohio zijn olie-imperium Standard Oil – dat in 1911 op last van het Amerikaanse hooggerechtshof wegens kartelvorming moest worden opgesplitst en waaraan BP, ExxonMobil en Shell USA hun bestaan hebben te danken. John Davison Rockefeller II koos New York als standplaats. Hij had dankzij actief beleggen en doneren, via de Rockefeller Foundation, overal een vinger in de pap: van Wall Street tot het culturele circuit (het Museum of Modern Art), en van de vastgoedsector (Rockefeller Center) tot de academische wereld en de gezondheidszorg (Rockefeller University, gespecialiseerd in medisch onderzoek). Toen ook nog eens twee oudere broers van David, Winthrop en Nelson, de politiek ingingen, respectievelijk als gouverneur van Arkansas en New York, waren alle honken gedekt. (De bazige, weinig tactvolle maar gematigde Republikein Nelson, die het schopte tot vice-president onder Ford, heeft ook nog vier keer vergeefs campagne gevoerd voor het presidentschap).

David Rockefeller heeft in zijn lange werkzame leven nog een dimensie toegevoegd aan het reusachtige Rockefeller-netwerk: internationale contacten. Bij Chase hield hij zich niet bezig met zulke ordinaire zaken als het afsluiten van leningen, hij wierp zich met veel verve op de internationale expansie van de bank, en bezocht daartoe meer dan honderd landen – de flaptekst pocht dat hij vijf miljoen mijl (ruim 8 miljoen kilometer) heeft gevlogen. Al dan niet met de hulp van de multi-inzetbare superdiplomaat Henry Kissinger – een goede vriend – wist Rockefeller de bank binnen te loodsen in landen als Rusland, China, Egypte, Zuid-Afrika en Chili. Juist deze een-tweetjes tussen politiek en bedrijfsleven, die doen denken aan de Bush-dynastie, beschouwt David Rockefeller als een van zijn grootste verdiensten.

Gevraagd naar zijn rol in de Amerikaanse geheime operatie in Chili, onder leiding van Kissinger, die de democratisch gekozen president Salvador Allende zou vervangen door generaal Augusto Pinochet, zegt Rockefeller: ,,Het is goed dat u daarover begint, want ik ben zeer bekend met die situatie. Wij leenden gedurende die tijd geld aan Chili. Het lijdt geen twijfel dat Pinochet achteraf gezien een dictator was, die dingen deed die niet in het belang waren van het land. Het probleem was dat de Sovjet-Unie achter Allende stond en dat het risico te groot was dat Chili een communistische enclave zou worden in Zuid-Amerika.'' Van `anti-communistische paranoia' bij de Amerikaanse regering wil Rockefeller niets weten. ,,Op grond van wat wij toen wisten, bood Pinochet een beter perspectief dan Allende.''

De sjah van Iran is de enige persoon die in Rockefellers memoires een heel eigen hoofdstuk krijgt – die eer valt zelfs zijn vrouw niet toe. De auteur lijkt zich te willen vrijpleiten van kritiek dat hij mede schuld zou hebben gehad aan het gijzelingsdrama in Teheran in 1980. Rockefeller stelt dat de rol die hem en Kissinger wordt toebedeeld in de affaire zwaar is overtrokken. Zij hebben niet, zoals jarenlang is beweerd, met z'n tweeën bekokstoofd dat de sjah in 1979 veilig naar de VS kon vluchten – waarop Iraniërs de Amerikaanse ambassade in Teheran bestormden en zeventig Amerikanen maandenlang gijzelden. Hoe het ook zij, Chase deed goede zaken met Iran en, zoals Rockefeller schrijft, de bank heeft geen cent aan de hele affaire verloren.

David Rockefeller heeft nog nooit een dictator ontmoet die hij niet leuk vond, merkte een criticus eens op over de bankier, die zichzelf graag ziet als `corporate statesman'. Vaststaat dat de machtigen der aarde, zelfs degenen onder hen die Amerika en het kapitalisme de dood toewensten, graag met hem om de tafel gingen zitten. De naam Rockefeller doet kennelijk wonderen. ,,Gedurende mijn hele loopbaan bij Chase heb ik nooit geaarzeld om staatshoofden te ontmoeten die buitengewoon vijandig stonden tegenover mijn eigen land'', schrijft hij. Waarom? ,,Business is business.'' En Rockefeller heeft een heilig geloof in de kracht der argumenten. Zo kwam hij in contact met Castro, Tito, Mobuto, Saddam Hussein, Ceausescu, Jaruzelski, Stroessner en Botha. ,,Ik heb ze allemaal gezien.'' Hitler heeft hij nooit gesproken, maar toen de Führer in 1937 door de straten van München marcheerde heeft hij zich door het publiek heen geworsteld om een foto te maken. Die is opgenomen in het boek.

Heeft Rockefeller misschien zijn roeping als politicus gemist, of opereerde hij liever als zakenman achter de schermen, die geen verantwoording hoeft af te leggen aan het volk? ,,Ik hoefde de politiek niet in'', lacht hij, ,,omdat mijn twee broers daar al in zaten, en twee was genoeg. Maar serieus, ik heb altijd gedacht dat goede bedrijven niet alleen een gunstige invloed hebben op klanten, werknemers en aandeelhouders, maar ook op de samenleving als geheel. Banken spelen bijvoorbeeld een belangrijke rol in de totstandkoming van projecten van overheden en non-profit organisaties.'' Rockefeller hangt een vorm van verantwoord ondernemen aan, die teruggaat tot grootvader Rockefeller. Die was zwaar christelijk – baptist/doopsgezind om precies te zijn – en die geloofde in hard werken, alles met mate, zo min mogelijk verspilling en teruggeven aan de samenleving.

De Rockefellers `aten' hun dollars niet allemaal zelf op en leidden een minder flamboyant leven dan multimiljonairs als uitgever William Randolph Hearst of avonturier-ondernemer Howard Hughes. Toch doet de welvaart die de familie op haar hoogtepunt bereikte nog steeds sprookjesachtig aan. Het landgoed van de familie, genaamd `Kijkuit' (sic), in Pocantico Hills op de westelijke oever van de Hudson, omvatte een zwembad, tennisbaan, golfterrein, bowlingbaan en kapel. In een van de mooiste passages van het boek beschrijft Rockefeller hoe de familie voorbereidingen trof voor de grote zomervakantie, drie maanden per jaar in een honderd-kamers tellend verblijf op Mount Devil's Island in Maine. Voor het kleine leger van bedienden, onder wie koks, keukenmeiden, gouvernantes en chauffeurs, maar gekgenoeg geen butler, werd een speciale treinwagon afgehuurd op Pennsylvania Station in New York. Daarachter volgde nog een aparte wagon voor de paarden. De weelde had ook nadelen. ,,Er was niemand om mee te spelen'', schrijft Rockefeller. Als benjamin van de familie moest hij zich tevreden stellen met een speciaal voor de zomer aangetrokken leraar Frans.

Rockefeller, ooit trefzeker omschreven als de `prins van het kapitalisme', is de mildheid zelve. Zijn vijfhonderd pagina's tellende memoires bevatten geen onvertogen woord. Slechte ervaringen, zoals met zijn kinderen, die zich in de jaren zestig en zeventig één voor één ontpopten als linkse extremisten – een van zijn dochters zwoor de naam Rockefeller zelfs af – waren hooguit `onplezierig' of `onaangenaam'. Tijdens een bezoek aan Harvard werd Rockefeller eens het spreken onmogelijk gemaakt door demonstranten. Dat was `niet prettig'. En in al die jaren bij Chase kwam het precies een keer tot een aanvaring met een collega, waarbij ,,bijna de grens van de betamelijkheid werd overschreden''. Bijna.

De recente stroom schandalen bij bedrijven als Enron, Worldcom en Tyco, die een graaicultuur onder topmanagers aan het licht bracht, doet Rockefeller allerminst ontvlammen in een tirade tegen het nieuwe geld, optiepakketten of professioneel normverval. ,,Natuurlijk heb ook ik mijn hoofd geschud bij het lezen van de zoveelste fraudezaak'', zegt hij. ,,Begrijp me goed: wie schuldig is, moet worden gestraft. Maar bij het merendeel van de ondernemingen werken eerlijke competente mensen die best wat mogen verdienen. Dat weet ik, want ik ken ze.''

De duizenden ontmoetingen die hij in zijn leven had, met mensen zo uiteenlopend als Picasso, Freud, Mandela, Schumpeter en prins Bernhard, maar ook talloze mindere goden, hebben hem nooit een moment verveeld of geïrriteerd, als je zijn boek mag geloven. ,,Zijn vermogen om saaiheid te verduren moet ongeëvenaard zijn in de geschiedenis van de mensheid'', schreef David Brooks in een recensie van de memoires in The New York Times. Je zou kunnen zeggen: Rockefeller is de laatste gentleman van het Amerikaanse zakenleven.

David Rockefeller: Memoirs, Random House, 2002, 517blz., $35.